★★★★★

Alphaville, une étrange aventure de Lemmy Caution (1965)

12-12-2008 | Bram Ruiter | Recensie
Regie:

Alphaville

Eigenlijk begon ik gisteren, tijdens het schrijven van mijn motivatie om Alphaville aan het Salon Indien Filmcanon toe te voegen, pas alles op een rijtje te zetten. De eerste keer dat ik de film zag was het voornamelijk een verwarrende ervaring waarbij ik het gevoel dat ongeveer anderhalf uur alles langs me heen was gegaan. Het enige wat meteen mijn aandacht wist te vestigen was de vrije zwart-wit fotografie en die bizar charismatische kop van Eddie Consantine in de rol van pulpdetective Lemmy Caution . Verder kreeg ik echt vlagen mee van wat Godard probeerde te vertellen, maar iets zei me dat dit zo’n film was waarin ik elke kijkbeurt iets nieuws in moest gaan ontdekken. En zodoende kwam de tweede keer.

Het is haast ondenkbaar om een science-fiction film in een hedendaagse setting op te nemen, maar doormiddel van Godard’s ruimtelijke inzicht laat hij een futuristische stad ontstaan uit bestaande kamers, straten en gebouwen. Het is meteen al een soort aanklacht op de steriele en ongeïnspireerde architectuur van de jaren ’60, waarin toegevoegde objecten een grote meerwaarde hebben dan de bestaande vorm. Doordat elke kamer volledig is ontdaan van kenmerkende objecten is er geen houvast aan tijdsperiode. Dit geld overigens ook voor de personages, wiens kleding niets meer zijn dan strakke pakken, kenmerkloze jurkjes en vale lange jassen. Slechts in vorm zijn ze te onderscheiden. Iets wat me dan weer terugbrengt bij de kamers, die op hun beurt weer duidelijk verschillen in grootte en lichtinval. Deze kenmerkloosheid werkt goed mee met de geloofwaardigheid van het science-fiction verhaal, maar ook inhoudelijk is het een goede keuze.

In principe verteld Godard hier het pulpverhaal van Lemmy Caution, die een futuristische stad infiltreert onder een valse naam en zichzelf als journalist door zijn missies heen werkt. Hij moet op zoek naar een vermiste agent, vervolgens zal hij de maker van Alphaville moeten uitschakelen en daarmee ook Alphaville’s dictatoriale brein vernietigen, computer Alpha 60. Ergens daartussen wordt Lemmy Caution verliefd op een prostituee (de altijd mooie Anna Karina) en zet hij alles op alles om haar uit de stad te krijgen. Het is een vrij clichématig concept, maar binnen in het verhaal op de oppervlakte (dat overigens verder en verder verdwijnt in puur onbegrip) zit een ongelofelijk diepe laag met prachtige theorieën over de toekomst en de ondergang van een zelfdenkende wereld. In zoverre zou Alphaville ook de verfilming kunnen zijn van Orwell’s Nineteen Eighty-Four, maar daar zou ik me niet over kunnen uitweiden gezien die nog ongelezen op mijn lijst staat.

Het dictatuur van Alphaville heeft zijn regels volledig gebaseerd op logica. Individualisme in vorm van poëzie, liefde en emoties worden meteen gestraft met een ondervraging en executie. Een mooi voorbeeld daarvan is een scène bij een zwembad, waar besloten publiek mag toekijken hoe de emotiehebbende worden uitgeschakeld met een schot van het geweer. In eerste instantie zou dit kunnen worden gezien als een aanklacht op gewelddadig entertainment, maar eigenlijk is dit onmogelijk, omdat entertainment voortkomt uit emoties en emoties verboden zijn. De reden dat zij daar staan toe te kijken is niets meer dan een objectieve observatie, het moet gezien zijn om van een waarheid te spreken. Zo gaan deze contradicties in denkwijze (emotie tegenover logica) steeds verder en begint Lemmy Caution tegen Alpha 60 stukken van Jorge Luis Borges te citeren. Het is zware kost, maar wel een bron van informatie mits het onderwerp je interesseert.

Filmtechnisch is Alphaville voor mij het summum van vrijheid in cinematografie en montage. Zoals we van hem gewend zijn heeft hij nergens een boodschap aan en doet hij wat hij zelf wil. Dit zagen we al in À Bout de Souffle, maar in Alphaville neemt hij het nog een stap verder. De scène waarin de liefde tussen Lemmy Caution en Natacha von Braun (Karina als postituee) zou moeten opleven bestaat uit een monoloog en beelden waarin Lemmy en Natacha vreemd worden belicht terwijl ze liefdevol poseren voor de camera, zonder elkaar daadwerkelijk te zoenen. De opening is van een gelijksoortig abstract kaliber, waarin er spannende muziek klinkt en een knipperende lamp wordt afgewisseld met freeze frames van Lemmy Caution. Regelmatig, wanneer er net enige houvast is op het moeilijk te vatten verhaal, gooit Godard met dit soort kunstige beeldpoëzie waardoor de kijker volledig uit zijn scherpte wordt gegooid. Het zou vervelend kunnen worden opgevat, maar het ondersteund wel de typerende kritiek van Godard op film. Bij hem draait het om de cineastische vrijheid, niet om een coherent geheel dat helemaal is dicht geplamuurd zoals de architectuur van Alphaville. Al zijn films hanteren dit concept, maar bij Alphaville komt dit het beste naar voren, omdat directe verwijzingen naar cinema (zoals in Le Mépris wel het geval is) afwezig blijven. Het is zijn ode aan literatuur en poëzie, de twee vooraanstaande media waar Godard het meeste aan lijkt te hebben gehad.

In feite zou ik nog boeken vol kunnen schrijven over Alphaville, want zoals ik al aangaf is het een film die behoorlijk diep graaft. Achter elk shot, achter elke zin schuilt wel een ellenlange analyse. Daar zal ik me in de toekomst nog wel een aan uitweiden, zodra ik de film voor een derde keer heb gezien en de onderwerpen die aan bod komen enigszins heb uitgediept. Voor nu stop ik hier met het ratelen over mijn filmliefde.



Reageer op dit artikel