Digital Cinema
Deel 3: Visuele voordelen en vooroordelen
18-10-2008 | Bram Ruiter | Digital Cinema

Dat Digital Video gelijk moet getrokken worden aan film is pure gewenning. Bijna een eeuw hebben we niets anders gezien dan harde contrasten, sterke kleuren en een charmante ruis (korrel) over het totaalplaatje. De reactie van het publiek wanneer zij een digitale film bekijken is niet meteen schokkend, vele zien het niet eens, maar vooral uit de filmkenner/maker hoek stijgt vaak een primitief geluid op als we aan het celluloid zitten. Digital Video moet zo snel mogelijk rechtgetrokken worden aan film zodat al die amateuristische beelden verdwijnen van het witte doek.
Hoewel ik net zo hard bij deze gewenning hoor zie ik ook de functies van DV buiten de budgetkwestie. Al eerder besprak ik het hyperrealistische beeldeffect, waarin het apparaat alles zo scherp mogelijk wil hebben en we eigenlijk tegen 2 keer zoveel beelden aankijken. Maar ook een veel voorkomend probleem is de blown-out sky, waarin buitenscènes alleen maar een witte waas tonen wanneer de lucht in beeld komt. Echter heeft elk nadeel daadwerkelijk ook zijn voordeel. Doordat bepaalde visuele aspecten geheel anders voorkomen op DV dan op film kan men hier gebruik van maken binnen het concept van de film.
Het eerste wat meteen het brein inschiet is het homevideo effect, of documentaire feel. Omdat documentaires door hun beperkte mogelijkheden van de regelrechte waarheid tentoonstellen moeten de opname apparaten zo handelbaar mogelijk kunnen zijn. Het maakt vaak niet eens uit wat voor camera men gebruikt, zolang we maar een beeld krijgen van wat er aan de hand is. Vaak wordt alles uit de losse hand geschoten en levert het beeld ook vaak kwaliteit in ten opzichte van de Panavision filmcamera’s. Vanuit hier ontstaat een apart effect, alsof het publiek midden in de actie zit.
Dit toepassen op fictiefilms neemt eigenlijk dezelfde uitkomst met zich mee. De schietpartijen in Mann’s Miami Vice zijn een stuk intenser dan andere films met een gelijksoortig concept. Dit komt voort uit de docu-achtige handeling van de camera en het gebruik van digitale video. Overigens zien we vaak in docu’s dat men alles wil vastleggen, hoe donker het ook mag zijn. Doordat digital video een veel breder lichtbereik heeft (en niet afhankelijk is van licht, in tegenstelling tot film) kan er in nachtelijke momenten meer worden getoond. Mann deed dit al eerder in Collateral, een film die zich volledig in de nacht afspeelt, waarin geen enkel detail verhult wordt door een ondoordringbare duisternis.
Een andere film waarin de actie niet zozeer geweld is heet Festen, een experiment van Thomas Vinterberg waarin film zo puur mogelijk werd gehouden. Het Dogme95 concept probeerde het andere uiterste van de blockbuster te maken door zo min mogelijk manipulatie toe te passen. Festen is opgenomen met een kleine Sony handheld camera en creëert met zijn intense verhaal het gevoel dat de kijker naar een homevideo zit te kijken die hij eigenlijk niet had mogen zien. Hierin zien we de natuurlijke nacht nog meer naar voren komen, gezien Vinterberg in zijn reglement heeft staan zelfs geen externe belichting te gebruiken. Een film die zijn kijker vasthoud en niet meer loslaat, iets dat geheel te wijden is aan zijn vorm.
Andere filmmakers gaan niet voor het homevideo effect, maar kiezen bewust het hyperrealistische uiterlijk om surrealistische sferen neer te zetten. Digital Video meesterwerk Inland Empire toont zowel gestileerde beelden, als losse handjes werk. Echter zit het effect hem in David Lynch zijn experiment, waarin hij film zoveel mogelijk los wou laten. Het grauwe uiterlijk geeft het drie uur durende epos een constante nare sfeer. Lynch laat zijn camera zo de vrije loop dat hij eigenlijk nooit de moeite neemt scherp te stellen, maar wanneer dit wel gebeurt in een close-up van een vieze man, wordt zijn vunzigheid versterkt door de scherpte die het apparaat teweegbrengt.
Een ander experiment The Tulse Luper Suitcases, waarin Greenaway de digitale camera behandelt als een filmcamera, met het grote verschil in zijn vrijheid van montage. Vanaf moment een bestaat het beeld constant uit over elkaar heen vloeiende landschappen, naast elkaar gezette hokjes, terwijl op de achtergrond vrouwen in een vreemd belichte locatie proberen te typen. Greenaway maakt hiermee het schoolvoorbeeld van vrije beeldmanipulatie, waarmee we terugkomen bij het vorige deel in deze voortzettende serie: vrijheid in verhaal en beeld.
Toch ondervind ik veel vooroordelen over het medium, vooral vanuit de groep die genoodzaakt is de camera’s te gebruiken. Er is iets binnen film dat de filmmaker aantrekt; de korrel, de ruis, de kleuren, iets. Als veel van deze visuele aspecten wegvallen door de techniek van DV is het duidelijk dat waar we mee opgroeiden praktisch onhaalbaar lijkt. Natuurlijk is dit een normale gedachte, maar ik noem het niet voor niets een vooroordeel. Dat we celluloid aanbidden komt vanuit wat we nu eenmaal gewend zijn, wat er zogenaamd ‘mooi’ uitziet volgens de grote groep die wij het publiek noemen. Het ding is dat beide visuele media het doel hebben een verhaal te vertellen dat mensen emotioneel in beweging brengt (plat gezegd) en dus in feite een grens daartussen flinterdun is. De één kunnen we dan wel gewend zijn waardoor we de andere zien als een vorm dat alleen bepaalde sferen kan benadrukken, maar nogmaals is dit slechts gewenning en vanuit een objectief oog compleet irrelevant. Verhaal is verhaal en als Coppola The Godfather had geschoten op digital video had dat geen reet uitgemaakt voor de kwaliteit van de film.

Forum