Gemaskeerde betekenissen in Persona (1966) (2/2)
10-12-2008 | Rik Niks | Analyse
Regie: Ingmar Bergman

Vorige week ging ik naar aanleiding van mijn recentelijk aangewakkerde enthousiasme voor Persona, vertoont in het kader van het Ingmar Bergman retrospectief Bergmania, in op een mogelijke thematische betekenis van deze complexe film. Een belangrijk element leek mij het onvermogen van beide personages om hun persoonlijk leed te verwerken en weer gezond in het leven te kunnen staan. Beide personages gaan op tegenovergestelde wijze om met de prangende levensvragen die ze op hun pad vinden: de actrice probeert zich van het leven af te sluiten door niet meer te communiceren, terwijl de verpleegster haar focus dermate verlegt op anderen dat ze niet tot zelfreflectie in staat is. Ik besloot met te zeggen dat deze onbalans tussen de twee personages mogelijk in een bredere, meer abstracte context te plaatsen valt. Deze week wil ik nagaan of er inderdaad in de overdaad aan clues aanwijzingen zijn dat deze situatie kan staan voor een algemener, niet direct bij naam genoemd thema.
Misschien wel de beroemdste scène van de film is de monoloog waarin de verpleegster vertelt van een seksuele ervaring aan het strand met een vreemde man. Een intense monoloog die zo beeldend is dat me de rol van de actrice in deze scène me nooit zo was opgevallen. Onderuitgezakt op bed laat ze het verhaal buitengewoon passief over zich heen komen. Een houding die bij mij de herkenning opriep van hoe een filmkijker passief de verhalen en emoties van fictieve personages op het scherm consumeert. Zou Bergman in Persona indirect ingaan op de verhouding film-filmkijker, en daarmee: filmmaker-filmkijker?
De rol van het publiek zou dan analoog zijn aan die van de actrice. Immers; zij spreekt niet, zij reageert niet, enkel eenrichtingsverkeer is met haar mogelijk. Tot frustratie van de verpleegster. Zij legt haar ziel bloot maar komt erachter dat haar toehoorder niet anders kan dan parasiteren op haar gevoelens zonder er iets tegenover te stellen. Een fraai beeld is het niet, maar het lijkt me niet ondenkbeeldig dat een zich kwetsbaar opstellende tobber als Bergman hier wel eens over gepeinsd zal hebben. De tragiek van een kunstenaar is misschien wel dat zijn persoonlijke (kunst)uitingen nooit een respons opleveren en vrijwel altijd eenrichtingsverkeer naar de toeschouwer blijven.
Het personage van de actrice maakt, bezien vanuit dit oogpunt, een ontwikkeling door. Eerst is zíj de persoon die in de picture staat. Mensen komen in de schouwburg kijken naar haar gevoelsleven (als Elektra), zoals de kijker van een film zich te goed doet aan dat van de acteurs en actrices uit een film. Op het podium, en niet elders, komt het draaipunt dat ze zichzelf afsluit en niet veel later wordt zij de toeschouwer. Ze voert dit ‘toeschouwer zijn’ zelfs zo ver door dat ze op een gegeven moment de kijker van Persona gade slaat, als ze pontificaal opduikt voor de camera en een foto van het publiek lijkt te maken. Zodoende neemt het publiek in deze film een iets andere rol in dan gebruikelijk bij Bergman’s films. Nieuw is bijvoorbeeld ook dat de kijker er bij herhaling aan herinnerd wordt naar een film te kijken: de beelden aan het begin en eind van een filmprojector die een film start respectievelijk beëindigt, het scheurende celluloid en de visuele trucages.
In een van de laatste beelden van de film zien we de actrice omringt door camera’s, weer in staat het object te zijn dat door het publiek ‘geconsumeerd’ wordt. Wellicht de berusting die de kunstenaar uiteindelijk gevonden heeft in zijn eenzijdige communicatie?

Forum