Meet Me in St. Louis (1944)
In glorious technicolor!

21 september 2008 · · Kritiek

Meet Me in St. Louis

Als Orson Welles fin de siècle drama The Magnificent Ambersons (1942) een grimmig zwart-wit meesterwerk was voor zijn tijd, dan is Meet Me in St. Louis (1944) de zoetsappige tegenhanger, een kleurrijke musical geschoten in technicolor die niet voor het intellect van de kijker gaat, zoals The Magnificent Ambersons doet, maar voor het hart. In beide films staat een familie centraal die interne conflicten moet zien op te lossen. In tegenstelling tot de familie Amberson, ligt er bij het gezin Smith een veel minder zware nadruk op deze conflicten, en worden de bijna onschuldige problemen zoals een dreigende verhuizing en liefdesperikelen bezongen in onbevangen liedjes (die misschien wel voor het eerst in een Amerikaanse musical integraal met het verhaal verweven waren). Waar The Magnificent Ambersons uiteindelijk een pessimistisch wereldbeeld schept, geeft Meet Me in St. Louis een meer positieve kijk op het leven. Gek is dat niet, want technicolor is immers al voldoende om vrolijk van te worden.

Judy Garland, die haar imago van een braaf meisje probeerde af te schudden – ze was destijds eenentwintig jaar – en meer serieus werk wilde ondernemen, werd gecast voor de hoofdrol, maar zag dermate tegen deze rol op, dat ze haar personage het liefst tong-in-cheek had willen vertolken. Regisseur Vincente Minnelli wist haar echter te overtuigen en Garland acteert haar rol van een verliefde tiener met verve. Toch is Garland’s kritiek niet geheel onterecht, sinds zij met vrolijke en tedere liedjes als The Trolley Song en The Boy Next Door wel haar zangtalent wist over te brengen, maar als actrice, buiten een zoete liefdesaffaire om, nergens echt gebruik kon maken van het inhoudelijk drama. Judy Garland schaarde haar rol na afloop desondanks onder haar favorieten, en zou kort na de film trouwen met Vincent Minnelli. De actrice bleef na Meet me in St. Louis eveneens doorzoeken naar inhoudelijke rollen, die meer erkenning zouden geven dan the girl next door status die ze destijds had, en dit bereikte ze uiteindelijk tien jaar later met de drama boven musical klassieker A Star is Born (1954), waarvoor ze een oscarnominatie mocht ontvangen.

De echte ster van de film is echter de kleine Margeret O’Brien, die ‘Tootie’ speelt, de jongste telg van de familie Smith. Haar kinderlijke angst en ondeugendheid weet zij prachtig toon te geven, alsmede de vreemde fascinatie zie ze kent voor het morbide (“It’ll take me at least a week to dig up all my dolls in the cemetery”). Haar personage vormt als perspectief de grote tegenhanger tot dat van Garland in hoe zij de wereld van St. Louis beleeft. Deze nadruk op haar personage komt van het gegeven dat de bron van de film (korte verhalen van Sally Benson) uit hetzelfde perspectief waren geschreven. Zo is de prachtig vormgegeven Halloween scène vanuit het blikveld van Tootie geschoten, dat de dreiging en angsten van grote gotische huizen en kinderen verkleed als demonen extra dimensie geeft. Margeret O’Brien keeg voor Meet Me in St. Louis een speciale (kinder)oscar voor haar rol.

Het hoogtepunt van deze twee hoofdpersonages is te vinden in het laatste kwartier van de film wanneer het plan van vader Smith om te verhuizen naar New York definitief lijkt. Het is winter en achter het raam kijkt Garland samen met de kleine Tootie naar de sneeuwpoppen buiten, als zij het beroemde Have Yourself a Merry Little Christmas inzet. Hier weet de film voor het eerst echt een dramatische climax te bereiken, niet alleen door de kracht die van Garland’s vertolking uitgaat, maar juist door de interactie met Tootie die het moment zo emotioneel weet te versterken dat het een brok in de keel oplevert.

De twee grootste technische kwaliteiten van Meet me in St. Louis zijn het zeer vloeiende camerawerk – bijna onzichtbaar in zijn functionaliteit – en natuurlijk de prachtige kleuren. Technicolor was tot aan de jaren vijftig een uitzondering op de regel; waar het gros van de Amerikaanse films in zwart wit was, werd technicolor vooral ingezet voor grote romantische drama’s, spektakelstukken en musicals. Filmstudio MGM was toentertijd de grote studio die ‘meer sterren had dan in de hemel’ en met twee titels uit 1939; Gone with the Wind en The Wizard of Oz (tevens met Judy Garland in de hoofdrol), heel veel geld had binnen gehaald. Dat kleur een belangrijke succesfactor was, blijkt uit het feit dat Meet Me in St. Louis sinds Gone with the Wind de grootste box office hit werd voor MGM.

Hoewel het kleurgebruik opvalt in Meet Me in St. Louis, komt het bijna bescheiden over tot de eerder genoemde films uit 1939 doordat het verhaal realistischer en minder bombastisch is van opzet. Toch zijn er voorbeelden te noemen, zoals een scène waarin Garland een duet zingt met haar buurjongen terwijl ze beide de (gas)lichten van het huis uitdraaien, dat het kleurgebruik een bijna erotisch effect meegeeft aan de handeling. Technicolor is niet te vergelijken met hoe wij nu kleuren ervaren in hedendaagse films, omdat het kleuren dermate versterkt dat het bijna onnatuurlijk overkomt en daarmee op momenten een zeer indringend, bijna hypnotiserend effect creëert.

Het plot van Meet Me in St. Louis is helaas iets te mager en schiet kort op de inhoud, waar het bijvoorbeeld de echte maatschappijkritiek mist die regisseurs zoals Douglas Sirk en Nicholas Ray tien jaar laten zouden mengen in de zoete technicolor paletten. Het was ook niet direct het doel van de film en voor zijn tijd zou een scherpe satire ondenkbaar zijn geweest. De film plaatst de problematiek in een meer historische context, wanneer het gezin Smith naar New York dreigt te gaan verhuizen. Deze duidt op een verschuiving van het vertrouwde klimaat waarvoor St. Louis als stad van de 19e eeuw staat, naar de heftige, snelle tijd die Amerika tegemoet zou gaan met New York als wereldstad van de 20e eeuw. In deze zin is Meet me in St. Louis – immers uitgebracht ten tijde van WO II – des te meer een nostalgische terugblik naar het verleden, die een vertrouwd gevoel moet geven van een warm thuis voor de Amerikaanse familie. Desalniettemin; het is nostalgie als een idealistische visie van het ‘americana’ concept dat vele Amerikanen in de jaren ’40 nooit zo zouden ervaren, omdat de verschuiving die in de film centraal staat allang had plaats gevonden en het de wereld een stuk complexer had gemaakt dan het zich destijds voorhield.


Onderwerpen:


Reageer op dit artikel