




Phase IV (1974)
15-11-2008 | Theodoor Steen | Horror, Recensie
Regie: Saul Bass

Saul Bass kennen we vooral als de briljante titelontwerper voor films van Hitchcock, Preminger en Scorsese. In 1974, nadat hij al een aantal shorts had gemaakt, doet Bass een poging tot een lange speelfilm. Een horror/sci-fi over moorddadige mieren genaamd Phase IV. Op het eerste oog lijkt het onderwerp, killermieren, meer iets voor de jaren 50 horrorfilm dan voor een film uit de jaren 70, maar Bass zou Bass niet zijn als hij daar geen unieke draai aan zou geven. De film is dan ook prima in te passen in een tijd waarin werken als Don’t Look Now, The Man Who Fell To Earth, Demon Seed, The Cars that Ate Paris, THX 1138, 2001: A Space Odyssey en Zardoz de dienst uit maakten. Allen films die een science fiction- of horrorthema gebruiken om interessante, subversieve cinema te maken die verder gaat dan alleen de spanning.
Phase IV heeft geen openingstitels. Saul Bass, de koning van de credits, laat ze achterwege. In plaats daarvan volgt een stroom van beelden over mieren, met informatie over een fenomeen dat zich heeft voltrokken. Mieren zijn intelligenter geworden en hebben een zogenaamd collectief bewustzijn. Na een uitgebreide uitleg volgen er de onheilspellende woorden Phase I in beeld. Het is duidelijk, de film bouwt toe naar fase 4. Phase IV, uit de filmtitel, zal pas in de laatste scène bereikt worden. Het gevoel van onontkoombaarheid is meteen aan het begin al duidelijk.
Twee wetenschappers ontdekken per toeval de verandering in het gedrag van de mieren. Ze vertrekken naar de woestijn, voor onderzoek, en samen met een gezin proberen ze vervolgens te overleven. Ze moeten er achter komen hoe de mieren te stoppen zijn, en waarom de mieren mensen aan vallen. En waarom bouwen mieren opeens metershoge flatachtige mierenhopen? Toch zijn de wetenschappers niet de focus van de film. Nee. Dat zijn de mieren. Bass heeft overduidelijk een fascinatie voor ze. Als kijker raak je ook onder de indruk van de machtigheid van de beestjes. Je merkt dat je sympathie naar hen uitgaat, niet naar de wetenschappers. Dit is mede te danken aan de prachtige beelden van het mierenleven.
De film ontpopt zich dan ook tot een soort van natuurdocumentaire met een horrornarratief. De machtigste scènes van de films zijn degene waarin de structuur in de mierenkolonie duidelijk wordt. Hoogtepunt is een estafette met mierengif. Een mier wil een brok gif naar de koningin toebrengen. Als eerste in de rij sterft hij, waarna een ander mier het overneemt, en eveneens sterft. Een voor een brengen de mieren het brokje dichter bij zijn doel. Als de koningin het gif inneemt sterft ze niet, tot opluchting van de kijker. Al haar volgende eitjes zijn immuun voor het gif, iets wat Bass met enkel kleurgebruik en montage duidelijk maakt. Dit zijn de sterkste scènes van de film, hoe sympathiek de wetenschappers verder ook zijn. De mieren zijn de ster van de film.
Visueel doet Phase IV denken aan het werk van Nicolas Roeg, met zijn focus op vorm, aandacht voor detail en lyrische montage. Ook de inhoud begeeft zich op een dergelijk niveau als Roeg’s werk met de aandacht voor conflicten tussen mensen en bovennatuurlijke thematiek. Overeenkomstig met ander jaren 70 undergroundcinema is er een grote aandacht voor filosofische thema’s. De film vertoont overeenkomsten met 2001: A Space Odyssey omdat deze film ook vragen stelt over de evolutie van het leven op aarde, in dit geval vier nieuwe fasen in de evolutie van de mier. Ook de grens tussen mens en natuur en de zin van het bestaan komen terloops aan bod. De meest filosofische scène is de allerlaatste, waarin de film een geheel onverwachte wending neemt.
De laatste twee minuten zetten de film in een geheel ander daglicht. Er word niet alleen gezinspeeld op de oorzaak van het gebeuren, maar er word ook overgesprongen naar een nieuwe fase. Phase IV, waaraan de film zijn titel ontleent, is zo’n bizarre wending dat het zonde zou zijn om het uit de doeken te doen. Het is niet alleen filosofisch en onverwacht, het is ook onheilspellend en prachtig gefilmd. Een soort minitrip door het onderbewustzijn. Als horrorfilm mag Phase IV dan weinig spannend zijn, als filosofische science fiction slaat de film geen slecht figuur. Je zal mieren nooit meer hetzelfde bekijken.

Forum
Op 29-11-08 om 15:09 #
Je had geen moeite met de knullige houterigheid van de acteurs? En je had ook geen moeite met het feit dat het een samenspel van beelden over kleine, ‘knuffelige’ miertjes was die maar een beetje heen en weer banjerden terwijl Bass ze met zijn mooie technische camera registrerend in beeld bracht en zodoende alle mogelijke spanning verdween? En je had ook geen moeite met het volkomen absurde uitgangspunt dat mieren en mensen ogenschijnlijk hetzelfde paradigma delen waarmee ze de wereld vormgeven – gezien het feit dat de verstuurde berichten zowel door de mens als mier als betekenisvol wordt geinterpreteerd?
Ik ben het wel met je eens dat de laatste scène een dromerige kwaliteit had die ijzersterk was en ook vond ik het openingssegment waarbij je als kijker nog lang in het ongewisse blijft goed te behappen. Maar vanaf het moment dat de deuren van de jeep opensloegen en de twee lamlendige wetenschappers uitstapten, ging het met de film bergafwaarts.
Op 29-11-08 om 16:58 #
Juist het knullige houterige acteerwerk verschuift het perspectief naar de mieren, die ontzettend indrukwekkend in beeld worden gebracht. Zoals gezegd zijn de mieren de “helden” van deze film, waar enige suspense of disbelief voor nodig is, dat zeker. Maar voor een film met een dergelijk banaal uitgangspunt (monstermieren) vond ik het een zeer geslaagd project.