De films van Agnès Varda
La grand-mère de nouvelle vague

14 juli 2009 · · Beschouwing

Ze studeerde filosofie en kunst, was in eerste instantie fotografe en had als eerste onafhankelijke filmmaakster lak aan de regels van de ouderwetse cinéma de papa. In 1954 maakte de eigenzinnige Agnès Varda (1928) haar debuut La pointe-courte (1954) op een miniem budget. Acht jaar later zou ze pas echt doorbreken met Cléo de 5 à 7 (1962), de nouvelle vague klassieker die menig modern filmkijker vaak over het hoofd ziet.
Agnès Varda is lang niet zo bekend als haar mannelijke collega’s die haar in de vernieuwende stijl van de nouvelle vague zouden volgen. In twee delen wordt er daarom gekeken naar vier bekende titels uit haar oeuvre, films die elk meer aandacht mogen hebben dan ze nu krijgen. Want vrouwelijke auteurs blijven een groot enigma in de filmgeschiedenis; kan jij meer dan vijf grote namen noemen?

La pointe-courte (1954)

Alleen geïnspireerd door eigen ideeën creëert Varda met haar stilistische debuutfilm een drama in de trant van Ingmar Bergman in contrast met neo-realistische observaties. Geen films behalve Citizen Kane kon Varda zich herinneren voor La pointe-courte gezien te hebben en dat is opmerkelijk in het licht van haar sterke stijl die vele mogelijke invloeden kunnen aanwijzen, zoals hiervoor genoemd. Met als achtergrond het Franse kustplaatsje uit de titel vertelt Varda twee verhalen: één over een naamloos koppel dat rondloopt in het geboortedorp van de mannelijke helft, terwijl het dorp niet alleen de achtergrond vormt, maar ook het tweede verhaal. Het is een bizarre mengelmoes van geënsceneerde documentaire (het neorealisme) en fictie (het koppel) dat niet altijd even soepel in elkaar zit, maar door Vardas gebruik van ruimte (geholpen door de montage van de Franse regisseur Alain Resnais) telkens blijft fascineren door haar manier van vertellen, of beter: uitbeelden. Het gebruik van landschappen en objecten wordt telkens zo sterk toegepast dat nergens de slop in dit vroege experiment raakt. Varda laat het koppel eveneens niet acteren, maar hun teksten dicteren als ‘modellen’ in de stijl van Robert Bresson, die hun intellectuele gesprekken over de geslonken liefde voor elkaar op de meeste droge manier tot uiting brengen. Provocatie? Varda druiste doelbewust tegen de regels in met een duidelijk, vrouwelijke perspectief die ze in haar volgende film verder zou ontwikkelen. Uiteindelijk is La pointe-courte te literair van aard doordat de personages te afstandelijk blijven in hun teksten om te emotioneren (haar inspiratie voor de vertelstijl kwam van de Amerikaanse schrijver William Faulkner), maar de sterke visie die uit haar beeldenreeks spreekt, weet steeds te verrassen, zozeer dat de kijker zich op het eind in Venetië waant.

Cléo de 5 à 7 (1962)

Vardas meest beroemde wandeling door Parijs kan als een vrouwelijke tegenhanger gezien worden van het masculine À Bout de Souffle van Jean-Luc Godard, van twee jaar eerder. Cléo uit de titel is in eerste instantie een oppervlakkige Franse zangeresje, het type dat Godard op zijn eigen manier zou analyseren in Masculin, féminin (1966). Varda analyseert eveneens, maar op een andere manier door de beleving en emoties op de voorgrond te plaatsen wanneer Cléo in realtime wordt gevolgd door Parijs, worstelend met haar imago en mogelijk dodelijke ziekte. Dit laatste element, het lot, dat al vanaf de bijzondere opening in kleur via tarotkaarten aan haar wordt geopenbaard zorgt voor een sterk gevoel van realisme. Varda benadrukt dit vervolgens door de rest van de film in zwart-wit te schieten. De gesprekken die ze voert met verschillende personages en de duidelijke aanduiding van verstreken tijd versterken eveneens het realisme van het verhaal. Hoewel deze documentaire aanpak Vardas oog voor cinema tekent, speelt ze evenzeer met de montage zoals veel van haar nouvelle vague collega’s doen en is ze niet vies van een komische intermezzo om het drama te doorbreken. In het korte filmpje Les fiancés du pont Mac Donald, een parodie op de stomme film, neemt Varda hoofdrolspeler Jean-Luc Godard met zijn zwarte zonnebril op de hak in een donker en helder wereldbeeld wanneer hij zijn Anna Karina dreigt te verliezen. Het vormt een grappige onderbreking. Cléo de 5 à 7 heeft ook baat bij de mooie muziek van Michel Legrand, de vaste huiscomponist van Jacques Demy. Demy was tevens Vardas echtgenoot (bekend van de musical Les parapluies de Cherbourg (1964) ) met wie ze later Les demoiselles de Rochefort (1967) zou maken. Varda liet zich voor Cléo mede inspireren door de schilderijen van Hans Baldung Grien waarin de dood een jonge vrouw afschrikt. Naarmate de film vordert is het ook deze donkere noot die steeds langer aanhoudt, hoewel de transformatie die Cléo ondergaat ook inzicht biedt en uiteindelijk hoop uitstraalt. Zo is Cléos laatste gesprek met een Franse soldaat die ze ontmoet in het park het meest geladen in zijn betekenis en emotie. Het volgende deel van deze beschouwing gaat verder in kleur met het melodrama Le Bonheur (1964) en het grauwe Vagabond (1985).


Onderwerpen:


Reageer op dit artikel