Gezocht: de Nederlandse identiteit
Haanstra
22-07-2009 | Rik Niks | Beschouwing
Regie: Bert Haanstra

“Met deze heerlijke collectie kan jong en oud (her)ontdekken waarom Nederland destijds massaal naar de filmzalen trok als er weer een nieuwe ‘Haanstra’ te zien was” staat er wervend op de dvd-hoes die het werk van Bert Haanstra bevat. Inderdaad zijn de bezoekersaantallen indrukwekkend. Ruim 2,5 miljoen voor Fanfare (1958) en toch nog een dikke 1,5 miljoen voor een documentaire als Alleman (1963). Hoewel Haanstra ook buitenlandse successen vierde, intrigeerderde mij in genoemde zin de woorden ‘Nederland’ en ‘destijds’. Deze steekwoorden vatten namelijk wel heel treffend de eerste vier films die ik zag samen.
Die vier films heb ik, zoals de hoes beloofde, inderdaad kunnen beleven als een ontdekkingstocht naar het waarom van de kassuccessen. Zowel de twee speelfilms, Fanfare en De Zaak M.P. (1960), als de twee documentaires, Alleman en De Stem van het Water (1966), spelen in op een zeer hoge mate van herkenbaarheid bij de kijker. De tweede factor van belang is de milde spot die de films kleurt. Genoeg om door de kijker geapprecieerd te worden als een spiegel, maar voldoende mild om niet op tenen te staan en daarmee bevolkingsgroepen uit te sluiten.
De spiegel die hij Nederland voorhield in de jaren 50 en 60, de herkenbaarheid waarop gemikt werd, doen deze nog opgeld voor de Nederlander anno 2009, laat staan voor de niet-Nederlander? Die vraag kan resoluut met een ‘neen’ beantwoord worden. Het is dus onvermijdelijk dat vandaag de dag met een andere blik naar deze films gekeken zal worden. Als historische documenten, of misschien juist als basale komedies zonder reflectieve ondertoon, wat het ook toen al voor het buitenland geweest moet zijn.
De beroemdste film van Haanstra, Fanfare, is wat dit betreft misschien nog wel het meest veelzijdig. Als komedie wat kluchtig en oubollig, maar speels en niettemin: er kan om geglimlacht worden. Giethoorn als locatie is filmisch aantrekkelijk en eigenlijk Nederland op zijn meest idyllisch. Heel anders dan De Zaak M.P., die in het doodgewone Brussel, Amsterdam en Brabant speelt en daarmee herkenbaarder is. Maar ook in dit Arcadië kan een schisma ontstaan doordat de twee kroegbazen niet met elkaar door een deur kunnen. Een sociale heroriëntatie van het gehele dorp vindt plaats, en voor wie de film graag in een historisch perspectief wil plaatsen zal duidelijk zijn dat we hier de verzuiling in het klein zien. Een hoop kleinzieligheid om zoiets futiels als een muziekvereniging, maar verschilt het wezenlijk van de zaken waarvoor zuilen indertijd lijnrecht tegenover elkaar stonden? Het hele dorp wordt gedwongen kant te kiezen, dat is inclusief de kruidenier, die vanuit economisch oogpunt neutraal wil blijven. Zo zien we hoe het schisma al snel tot in de diepste wortelen van de dorpsgemeenschap voelbaar is en elke wending een kettingreactie veroorzaakt waarin ook aanvankelijk neutrale personen geraakt worden.
Ook in De Zaak M.P. een volk in beweging, ditmaal ligt de scheiding tussen Nederland en België. Als hedendaagse kijker kun je je er enkel om verbazen dat aan onze relatie met de zuiderburen toen blijkbaar nogal wat gewicht hing. Duitsers in plaats van Belgen was spannender geweest. Maar ook dit zou wel eens de ironie van Haanstra kunnen zijn. Waar we ons in die onbezorgde jaren wel niet druk om konden maken. Helden op sokken die een pandemonium veroorzaken door elkaars cultuurgoed (Manneken Pis en Hansje Brinker) te stelen. Eigenlijk het soort ‘held’ zoals die ook toen al in Nederlandse WO II literatuur opdook, maar in plaats van een heldhaftige oorlogssetting, in een pathetische, folkloristische tweespalt geplaatst. De concessie is dat iemand als W.F. Hermans de knul een zure dood had laten sterven, maar Haanstra een publiekstrekker voor het hele gezin maakte.
De reacties op De Zaak M.P. waren lauw, zodat Haanstra verder ging met zijn documentaires, waarvoor hij reeds in 1958 een Oscar won (Glas). Alleman en De Stem van het Water liggen sterk in elkaars verlengde. Simon Carmiggelt, ook al zo’n duider van het typisch Nederlandse, leest in beide films een tekst voor, terwijl Haanstra de kijker beelden voorschotelt van respectievelijk de vrijetijdsbesteding van de Nederlander en zijn relatie met het water. Die eerste is een dag-uit-het-leven-docu à la Man with the Movie Camera , zonder het technische experiment. Hier klinkt ook spot door, vooral in de alleraardigste montage van de preutse strandbezoekers, maar over het algemeen zal de kijker uit het huidige sterk geïndividualiseerde tijdsgewricht zich wat ongemakkelijk voelen bij de wijze waarop Haanstra individuen gemakzuchtig op een hoop gooit in zijn poging de identiteit van De Nederlander te vatten. De Stem van het Water is, zoals Carmiggelt met ironie opmerkt, wéér een film over water. De dramatische momenten, een man die vertelt het leven niet meer te zien zitten en een vrouw die voorleest hoe ze haar familie verloor bij de watersnoodramp van ’53, zijn dapper, maar voelen plompverloren tussen de beelden van vooral watersportende Nederlanders. Het maakt duidelijk dat Haanstra vooral een filmer van het luchtige, onbezorgde was. Passend bij het tijdsgewricht dat hij filmde.

Forum