De frustrerende cinema van Jean-Luc Godard
Het

28-07-2009 | Rik Niks | Beschouwing
Regie:

Vreemd, er is geen regisseur die zulke sterke en wisselende emoties bij me losmaakt als Jean-Luc Godard, maar ook is er nauwelijks een regisseur over wie ik het lastiger vind een stuk te schrijven. Vaak kom ik niet verder dan het formuleren van wat primaire indrukken, maar tegelijkertijd dringt het besef zich op dat dat in het geval van de Fransman onvoldoende is. Komisch, vervelend of onderhoudend: primaire indrukken die meestal genoeg houvast bieden voor verdere uitdieping om tot een afgewogen waardering te komen. Bij een film van Godard schiet het tekort, omdat zijn films niet richten op het vervullen van dit soort basale behoeften bij de kijker.

Toch zijn het dus wel degelijk vrij sterke instinctieve reacties die zijn films bij mij oproepen. De reden dat dat te weinig voedingsbodem biedt voor een afgewogen beoordeling is dat ik dit vaker niet dan wel kan koppelen aan de theoretische laag die zijn werk doorkruist. Plat gezegd: niet zelden heb ik geen idee wat Godard nu precies aan het doen is. En waar het bij andere ‘moeilijke’ regisseurs geen beletsel is toch van hun films te kunnen genieten, lijkt Godard in een uitzonderingspositie te verkeren. Het kijkplezier gaat hand in hand met de ideeën. De enkele keer dat ik wel aansluiting weet te vinden bij Godard’s ideeën heb ik gelijk het idee naar een opwindend meesterwerk te kijken. Zeer sterk merkte ik dit bij het kijken van drie van zijn jaren 80 films: Passion (1982), Prénom Carmen (1983) en Détective (1985).

Van die drie scheen mij Prénom Carmen het meest helder. Een film waarbij geluid centraal staat en de beelden verdringt of verregaand beïnvloedt. In de eerste helft zien we de ontwikkeling van een aantal ‘verhaallijnen’, met elk hun typerende geluiden. De belangrijkste is die waarin Carmen een film wil opnemen en/of/over een bankoverval. In deze verhaallijn komen we ook Jean-Luc Godard zelf tegen, als verwarde regisseur in ruste. Dan is er het strijkkwartet dat ijverig Beethovenstukken oefent. Ten slotte is er de zee. Er wordt telkens geschakeld tussen de 3 lijnen, maar de geluiden overlappen elkaar, of schuiven door elkaar heen. Dus horen we het klotsen van de golven als we de musici zien spelen, luistert Godard naar een radio die de vioolmuziek van het kwartet ‘speelt’ en worden dialogen afgedraaid terwijl we de zee tekeer zien gaan. De belangrijkste vormen van geluid in film (dialoog, geluidseffecten en muziek) kennen zodoende nadrukkelijk elk hun eigen verhaallijn, maar doordat ze elkaar overlappen, hoe onnatuurlijk ook, ontstaat een eenheid. Een bedrieglijke eenheid: Godard waarschuwt aspirant regisseur Carmen al vroeg in de film dat men de ogen moet sluiten, niet openen. Als een en ander aan het eind tezamen komt resulteert dat dan ook in een absurde apotheose.

Godard’s film gaan altijd gebukt onder een overdaad aan hoogdravende dialoog. Exemplarisch is Détective, waarin voor iedereen van de gangsterbaas tot de schoonmaakster het werk van Shakespeare en Conrad gesneden koek is, en niet huiverig dat te etaleren. De dialogen bestaan voor een zeer groot deel uit citaten en wijsheden, en niet de meest eenvoudige. Het effect dat hierdoor optreedt is dat de dialoog verwordt tot een stroom woorden die paradoxaal genoeg betekenisloos is. Wat op papier nog eens een of twee keer overgelezen en overdacht kan worden, is daar hier geen ruimte voor. Laat staan dat het een plaats gegeven kan worden in relatie tot de film. Anders dan in literatuur bepaalt hier de kunstenaar het tempo en Godard geeft de kijker (bewust?) weinig adempauzes.

Dit gebruik van dialoog in Détective kan ik geen plaats geven, waardoor irritatie overheerst. Dit lijkt puur intellectueel gekoketteer van de heer Godard. Anders is dat bij Prénom Carmen, waar de dialogen te accepteren vallen als zijnde een van de bepalende geluidslagen in film. De aanwezigheid is in deze context belangrijker dan de precieze inhoud. Dialogen kunnen zomaar afgebroken of onhoorbaar gemaakt worden; wat er gezegd wordt doet immers toch weinig ter zake. De slotdialoog is als relativerende knipoog dan ook onbetaalbaar.

Naast de wisselwerking tussen geluid en beeld haalt Prénom Carmen zijn kracht uit de absurdistische onvoorspelbaarheid, die wel wat weg heeft van het in komisch opzicht net zo geslaagde Week-End. Godard speelt met de te verwachten interpretatie van de kijker. Zie bijvoorbeeld de titel van de film, die direct uitnodigt tot interpretatie vanuit het oogpunt van Bizet’s opera, een link die overigens vrij minimaal blijkt. Of deze scène: nadat we Carmen hebben horen praten over het opnemen van een film met vrienden, interpreteer je de daaropvolgende absurde bankoverval als zijnde een scène voor die film. Helemaal als we tussen de vallende lijken een schoonmaakster zien opduiken die rustig de bloedsporen opruimt. Niets is echter minder waar, nu is wat we zien eens wél wat het lijkt.

Ten slotte is er nog Passion, die ik al eens gezien had, maar in de herkijk nog net zo’n raadsel voor me bleef. Een regisseur maakt een film waarin beroemde schilderijen uitgebeeld worden, maar zit in een creatieve impasse. In een nabije fabriek zinspelen arbeiders op maatregelen tegen de leiding en er zijn wat relationele perikelen. Deze film gaat vooral over het creatieve proces van een kunstenaar. De regisseur moet kunnen zien vóór hij kan filmen. Heel letterlijk is dat in het nafilmen van schilderijen, maar het eist een vooruitziendheid om als kunstenaar iets te creëren dat nog niet is. Op een of andere manier zal hier een link liggen met de andere verhaallijnen, de politiek, de liefde en andere van Godard’s stokpaardjes, maar ik zag het niet. Godard’s golflengte is duidelijk een andere dan de mijne, wat direct maakt dat ik me enorm verveeld heb. En zo kom ik weer terug op het probleem dat ik in de eerste alinea schetste, en blijf ik zitten met de vraag: mag ik de film er op af rekenen dat het te weinig te bieden heeft voor de kijker die niet op Godard’s golflengte zit?



Reageer op dit artikel