Door het oog van de camera
Objectiviteit in cinema

23-03-2009 | Christiaan Boesenach | Analyse

Joris Ivens

Onlangs besefte ik mij dat film louter een subjectief medium is, zelfs wanneer deze pretendeert dat niet te zijn, zoals bij veel documentaires het geval is. Wat ons voor ogen komt is per definitie een tweedehands ervaring, waar tussen de gebeurtenis (of deze nu fictief of non-fictief is) en het scherm altijd een camera aanwezig is.

Op zoek naar films die het dichtst bij een objectieve visualisering van de werkelijkheid liggen, stuitte ik op ‘onze’ [url=http://www.imdb.com/name/nm0412235/]Joris Ivens[/url], een cineast van wie ik nooit eerder iets zag. Het bleek precies wat ik zocht, zijn vroege werk kenmerkt zich tot het visualiseren van objecten of gebeurtenissen (het verkeer in Parijs; regen; een brug), op een zo nauwkeurig mogelijke wijze.

Waar een puur objectieve beeldtaal onmogelijk te hanteren is, valt film wel te ontleden tot de essentie van het gefilmde schouwspel, of dit nu een gebeurtenis of een object betreft. De filmmaker zal moeten kijken door het oog van de camera alsof het zijn eigen was. Ik dacht hiermee even het wiel uitgevonden te hebben, maar bij het zien van Joris Ivens’ [i]De Brug[/i] bleek mijn opvatting niet geheel nieuw. Deze filmmaker wist de essentie van deze ‘brug’ – [url=http://nl.wikipedia.org/wiki/De_Hef ]De Hef[/url] – warempel vast te leggen, en daarmee, zonder poetische opsmuk, de schoonheid van het object aan te tonen.

[i]I am the camera’s eye.[/i] Dziga Vertov

In De Brug vertelt Ivens ons niets, de beeldtaal ‘suggereert’ niet, zoals gebruikelijk is in film, maar ‘laat zien’. Elk stukje ijzer, elk schroefje, van onder tot boven; alles krijgen we voor ogen. De trein raast over de rails, maar stopt voor de aankomende boot. Een karig narratief, dat de functies van de brug ten volle tot uiting brengt. Ondanks het ontbreken van een plot, wordt door een vrij statische doch ritmische montage een spanningsboog gecreëerd, die zorgt dat de getoonde brug volledig tot zijn recht komt. Het is een vertelwijze die zeer geschikt lijkt voor documentaire. Niets ontkomt aan het oog van de camera, waardoor een zeer nauwkeurig beeld geschetst van het fenomeen, dat wij als kijker aanschouwen.

In Ivens’ Regen is het een minder eenvoudig fenomeen dat hij op beeld probeert te grijpen; het is de regen. Een meer figuurlijk gebeuren, dat geen duidelijke fysieke vorm kent, en daardoor afgeschreven lijkt voor een niet-suggestieve beeldtaal. Gedurende twee jaar heeft Ivens ‘regen’ geschoten, en op eenzelfde ritmische wijze gemonteerd, om de kijker vervolgens een vrij compleet beeld te geven van regen.

Het eindresultaat van beide films is geen objectieve cinéma, althans geen objectieve kijk op de werkelijkheid. Het eindresultaat is een objectieve kijk op de cinematografische werkelijkheid; de zo essentieel mogelijke weergave van een filmbeeld. Ivens is in dit geval het oog van de camera, waardoor wij kijken, het is zijn beleving van De Hef of van Regen. Daar Ivens de werkelijkheid op alle mogelijke wijzen aanschouwt, kunnen we stellen dat hij er een empirische werkwijze op nalaat.

Deze empirische films zijn in hun geheel boeiend, maar tevens lijken het slechts schetsen, gezien de hele speelduur slechts een enkel fenomeen beslaat en kan beslaan. Door de drang naar het objectieve worden de beelden beperkt tot een enkele gebeurtenis of voorwerp, want meerdere gebeurtenissen zouden suggestie opwekken, gezien wij meer zien dan de essentie van een object.

De titel verklaart het product, en pretendeert niet meer te zijn dan dat. De toegevoegde waarde van een muzikale soundtrack zie ik hierdoor niet in, het verpest slechts de puurheid van het geheel; waarom Ivens hiermee instemde is mij dan ook vreemd. In hun eenvoud zijn de films boeiend, alsof het een herinnering betreft vertelt Ivens het verhaal, de werkelijkheid wordt ietwat verwrongen door een onontkomelijke persoonlijke inbreng.

Ivens’ films zijn zo puur als het maar kan, en daardoor wellicht overbodig als kijkvoer, en slechts interessant als experiment of document. Veel documentaires zouden een voorbeeld aan Ivens’ werkwijze moeten nemen, want de ziel van een persoon of een object wordt vaak ondergesneeuwd door de persoonlijke visie van de cineast zelf. Ironisch genoeg is Ivens’ zelf later voor de regimes van Stalin en Mao gaan werken, en hoewel het nog steeds interessante cinema is, is hij daar de objectiviteit nagenoeg verloren.



1 Reactie

  1. Rik Niks

    “Veel documentaires zouden een voorbeeld aan Ivens’ werkwijze moeten nemen, want de ziel van een persoon of een object wordt vaak ondergesneeuwd door de persoonlijke visie van de cineast zelf.”

    Is dit zo? Is dat niet juist wat we verwachten van een kunstenaar, dat deze een eigen visie projecteert op de ‘werkelijkheid’ die hij filmt/fotografeert/whatever? Daarin zit veelal de toegevoegde waarde, waar het anders al snel een vrij schraal navertellen zou worden. De dunne scheidslijn zelf vind ik overigens wel boeiend: hier balanceerden de regisseurs van de Direct Cinema ook op. De pretentie van volledige objectiviteit, maar o.a. door technische oorzaken (bijv. de noodzakelijkheid van montage) die pretentie toch nooit helemaal waar kunnen maken. Zo zit daar toch vaak iets van een visie achter, terwijl vaak gesuggereerd wordt van niet.


Reageer op dit artikel