John Ford & The Searchers (2/2)

23-09-2009 | Rik Niks | Analyse
Regie:

Vorige week trachtte ik enkele kenmerken te benoemen die als rode draden lopen door het oeuvre van de vooral van zijn westerns bekende John Ford. Herkijk van The Searchers bracht me hier toe, in een poging deze te kunnen plaatsen in het geheel van zijn oeuvre, daarmee hopende dat onvermoede kwaliteiten van het werk zich aan me zouden openbaren. Is The Searchers namelijk niet een van de grootste films aller tijden? Regelmatig verkozen tot een van de 10 beste films aller tijden (Sight & Sound), hoog op de AFI 100 (# 12) en compilatielijst They Shoot Pictures 1.000 (# 7), kortom, de ultieme western?

The Searchers opent met een bord waaruit blijkt dat het verhaal aanvangt in 1868. Dat is drie jaar na het einde van de Amerikaanse Burgeroorlog, waar ook hoofdpersonage Ethan Edwards (John Wayne) gestreden heeft. De precieze aard van zijn aanwezigheid aldaar blijft in nevelen gehuld, wel komt hij als een rijk man aan bij zijn broer en familie, die weldra uitgemoord zullen worden. De stilte rond zijn verleden in combinatie met zijn bulk goud werpt direct een verdacht licht op de man die als een held binnen gehaald wordt. In het verloop van de film wordt hier met geen woord over gerept, maar wie weet dat helden in Ford’s films altijd minder heroïsch zijn dan waar het publiek hen voor houdt, zal al snel een weinig fraai verband tussen die twee zaken zien.

Wie vermoedt dat ook deze legende doorgeprikt zal worden, krijgt gelijk. Gaandeweg ontpopt Edwards zich tot een onuitstaanbare racist, die er niet voor terug zal schrikken het object van zijn zoektocht dood te schieten, simpelweg omdat ze tussen indianen leeft en dus geen mens meer is. Deze held wordt voor de kijker van zijn voetstuk gehaald door hem op te zadelen met een verzameling abjecte ideeën. Er is altijd een kant van helden die we liever niet zien, maar deze outlaw stelt de waarnemer behoorlijk op de proef. Overigens werd het racisme jegens indianen bij ontvangst door het publiek door velen als een genreconventie beschouwd. Dat geeft aan dat de film en zijn thematiek tegenwoordig een andere lading heeft dan in het Amerika waar rassenscheiding tussen blanken en negers een geaccepteerd verschijnsel was.

De tweede ‘s’ in de titel slaat op Edwards’ hulpje Martin Pawley (Jeffrey Hunter), wiens voorouders indianen waren. Hij vormt het geweten van de film. Het racisme van Edwards slaat hem niet uit het veld, terwijl een innerlijke drive hem dwingt de zoektocht naar zijn nichtje voort te zetten. Ondertussen probeert een thuisfront hem op andere gedachten te brengen. In geen van Ford’s films zien we het contrast tussen familie en eenling zo scherp als in The Searchers. Het thuisfront is een warme haven, waar een beschaafd besef van normen en waarden heerst en men een rotsvast geloof heeft in de Heer. Edwards moet hier niets van hebben; zonder dat duidelijk wordt wat hem precies drijft, is hij de zwervende loner te midden van het ruwe rotslandschap, ongelovig en terend op een oude ethiek. Waarschijnlijk is dat zijn doel van de zoektocht: niet het vinden van het meisje (al in de openingsscène vergist hij zich in haar naam) maar het ontlopen van de druk die zo’n thuis uitoefent op zijn individualiteit.

Een aantal herkenbare en mooie Ford-thema’s is dus aanwezig, maar toch is de uitwerking niet overal even trefzeker. Een probleempunt is de splitsing van twee verhaallijnen. An sich zorgt de aanwezigheid van (het verder oninteressante) personage Martin Pawley als een van de Searchers voor een potentieel interessante wisselwerking met Edward’s, maar het is tevens zijn personage waar de hele thuisfrontthematiek aan opgehangen wordt. Er is een vriendinnetje dat niet ophoudt hem te claimen, om na zijn lange afwezigheid te trouwen met een brave gladjakker, wat uiteindelijk ook weer op losse schroeven komt te staan. Veel tijd en energie gaat zitten in deze verwikkelingen, die mijn inziens geen substantieel doel dient, anders dan het schetsen van een alternatief voor de levens van Edwards en Pawley. Met een korte terzijde, of enkele veelzeggende shots had hetzelfde bereikt kunnen worden. Zoals gewoonlijk doet Ford weer goed zijn best warmte te blazen in de familiaire verhoudingen, maar dit gaat, ook zoals gewoonlijk, weer gepaard met flauwe humor en muzikale omlijsting.

Een happy end (lang niet altijd de gewoonte bij Ford) is in deze film onvermijdelijk om de subtiliteit van de thematiek niet verloren te doen gaan, maar de weg ernaartoe is niet heel fraai. Bij een eerste poging tot bevrijding van Debbie wil zij niks weten van een bevrijding, en staat Edwards op het punt haar te vermoorden. Bij poging twee is Debbie blij met Pawley’s reddingsactie en spreekt Edwards de warme woorden “Let’s go home, Debbie”. Beide kantelingen worden niet gemotiveerd, terwijl ze toch maar wat opmerkelijk zijn.

De cinematografie van The Searchers is uitentreuren geroemd, met name de shots van Monument Valley, die de nietigheid van onze helden visualiseert. Mooi, zondermeer, toch mis ik dat de grimmigheid van het personage Edwards weinig gestalte krijgt in de stilering. In films als The Grapes of Wrath en My Darling Clementine, niet toevallig zwart/wit films, weet Ford een heel sombere, grimmige sfeer op te roepen die past bij het verhaal, bijvoorbeeld door zijn personages zelfs bij daglicht onder te dompelen in diepe schaduwen. In The Searchers moeten we het wat dit betreft doen met bijvoorbeeld een inzoomend shot op een misprijzend naar blanke indianenvrouwen kijkende Wayne, de rand van zijn hoed diep over de ogen. Wat mij betreft een van de meest dramatische momenten van de film, verkregen door enkele filmtechnische handelingen (belichting, camerabeweging). Opmerkelijk is wel dat veel van het drama buiten beeld plaatsvindt, ofschoon de keerzijde is dat Ford niet geheel ontkomt aan het gebruik van clichés om te visualiseren wat er dan precies gebeurd is.

Uiteindelijk telt dit op tot teveel kanttekeningen om in mijn ogen te kunnen spreken van een van de grootste westerns ooit. Wel is The Searchers, zoals vermoedelijk geen andere film binnen zijn oeuvre, een veelomvattende dwarsdoorsnede van Ford’s werk. Alle belangrijke thema’s, die individueel in andere films misschien sterker worden uitgespeeld, komen aan bod, zodat dit toch een essentiële film is voor de beginnende én gevorderde Ford-kijker.



3 Reacties

  1. Kaj van Zoelen

    Ik mis een belangrijk thema in deze analyse: hoe de ‘beschaving’ (of het thuisfront, zoals jij het noemt) de racist nodig heeft om in haar bubbel midden in de wildernis te blijven bestaan met haar hypocriete Christelijke waarden en normen, maar hem en zijn levensstijl tegelijk veroordelen. Dat is waar dat eindshot over gaat, heb ik altijd begrepen. Hoe de beschaafde op Ethan Edwards steunt om allerlei illusies in leven te houden, en daarom hem ook niet kan accepteren als één van hen.

  2. Rik Niks

    Over dat punt heb ik wel wat nagedacht, maar kwam niet echt tot een heldere visie. Ikzelf zou eerder stellen dat de beschaving voor zijn bescherming iemand als Edwards nodig heeft vanwege zijn dierlijke agressie (ik kom even niet op een juiste term om het precies te duiden), wat verder los staat van de vraag of die persoon voor het overige wel of niet gewenst is in die samenleving. Het racisme is ook niet zo’n issue heb ik het idee, het wordt in ieder geval breed geaccepteerd. In het eindshot zie ik ook niet zo zeer een Edwards die niet naar binnen mag, maar een Edwards die niet naar binnen wil.

  3. Kaj van Zoelen

    Ik gebruikte racisme omdat jij dat ook doet, maar wat ik bedoel is dat hij symbool staat voor de wildernis. Hij beschermt de beschaving, maar is zelf door zijn wildernis ook een bedreiging daarvoor als hij erin opgenomen zou worden. Zijn aanwezigheid zorgt in de openingsscènes niet voor niets zoveel onrust. Hij brengt de ‘wilde’ ellende met zich mee, die vertegenwoordigd wordt door de agressieve indianen. Zodra hij even de beschaving niet beschermd wordt deze afgeslacht door de wildernis, maar het is juist zijn aanwezigheid die de bedreiging veroorzaakt.


Reageer op dit artikel