McCarthyisme in Hollywood
On The Waterfront (1954) en The Crucible (1996)

11-02-2009 | Rik Niks | Double bill
Regie: ,

Een van de meest bizarre episodes in de Amerikaanse naoorlogse geschiedenis is wel de communistenjacht van senator Joseph McCarthy. Uit puur politiek opportunisme, en zonder echt in de ideologie van zijn zaak te geloven, wist hij de politieke orde van begin jaren 50 zodanig te beheersen, dat vrijwel niemand in opstand durfde te komen. Electoraal gezien was het weinig aantrekkelijk de populaire senator te bekritiseren, maar ook leefde de angst zelf beschuldigd te worden van ‘on-Amerikaanse’ praktijken. Vele vooraanstaande Amerikanen kwamen op zwarte lijsten en de invloed strekte zelfs zo ver dat een verhaal als Robin Hood, immers een communist in disguise (!), op scholen verboden werd. Het McCarthyisme was feitelijk een populistische beweging die zich afzette tegen alles dat naar progressieve idealen riekte of niet als typisch Amerikaans gekwalificeerd kon worden. Geen wonder dus dat het overwegend linkse artistieke milieu meer dan eens de gebeten hond was. Geen wonder ook dat dit zijn sporen heeft achtergelaten in de films en toneelstukken die al vrij snel verschenen; The Crucibile (toneelstuk 1952/film 1996), On The Waterfront (1954), The Manchurian Candidate (1962) en recentelijk nog Good Night, And Good Luck. (2005) grijpen allen voor een belangrijk deel terug op dit fenomeen. Interessant is het verband tussen die eerste twee, waarover meer.

Wanneer het McCarthyisme ter sprake komt, wordt vaak in dezelfde ademtocht het woord heksenjacht genoemd. Niet voor niets, want de sfeer van paranoia en de volstrekte willekeur waarmee de jacht zich voltrok roept die associatie direct op. Op het moment zelf lag dat verband kennelijk niet direct voor de hand, want Arthur Miller zorgde in 1952 voor opschudding door met The Crucible een toneelstuk te presenteren waarin de historische heksenjacht van Salem (1692) als allegorie diende voor McCarthy’s communistenjacht. De belangrijkste overeenkomst was het sneeuwbaleffect dat tijdens de processen ontstond. Aangeklaagden werden geprest te bekennen en met namen te komen van andere door de duivel bezeten dorpsbewoners. Met de doodstraf boven het hoofd hangend, werden in het wilde weg namen genoemd en herhaalde dit zich tot de chaos compleet was.

In de verfilming van het toneelstuk, waaraan Miller zelf bijdroeg in de vorm van het screenplay, zien we hoe een gemeenschap zo volledig ontwricht raakt. Een van de weinigen die aan zijn principes vasthoudt is John Proctor (Daniel Day-Lewis). Op zijn weigering te bekennen en namen te noemen volgt de uiterste consequentie. Miller’s boodschap was dat het kwaad dat hij om hem heen zag plaatsvinden enkel bestreden kon worden door principieel te blijven. Deze boodschap was vooral gericht aan het adres van Miller’s vriend en collega Elia Kazan, die tot zijn grote onvrede een jaar eerder geklikt had bij de McCarthy’s commissie.

Kazan, zelf lid van de Communistische Partij in de jaren 30, maar gedesillusioneerd afgehaakt bij het bekend worden van Stalin’s gruwelen, reageerde niet veel later met een eigen allegorie. On The Waterfront is het verhaal van havenwerker Terry Malloy (Marlon Brando) die getuige is van een moord waar vakbondsleiders bij betrokken zijn. Aangezien deze louche bazen beslissen over wie wel en wie niet mag werken in de haven, houdt iedereen angstvallig zijn mond over de misdaden die plaatsvinden. Tot frustratie van een commissie die de vermeende misdaden onderzoekt geldt dat aanvankelijk ook voor Malloy. De link met de actualiteit is dat Malloy uiteindelijk besluit toch te getuigen, en daarmee het begin van het einde inluidt voor de dubieuze vakbondsleiders.

Bij beschouwing van de films valt op dat beide hoofdpersonen als heroïsche figuren worden afgebeeld. Mannen die het belangrijker vinden vast te houden aan hun principes dan in een etterend conflict een pijnloze uitweg te zoeken. In On The Waterfront heeft de bekentenis een zuiverende werking, het kwaad is bestreden. In The Crucible blijft de afloop in het midden. Proctor roept het domino-effect een halt toe door geen namen te noemen, maar onduidelijk blijft of daarmee de processen ook tot een einde zijn gekomen. Doet er misschien ook niet zo veel toe: Miller’s boodschap zal geweest zijn dat standvastigheid de eerste stap naar uitroeiing van dergelijk kwaad is. Hét grote verschil tussen beide films is uiteraard dat de een ‘verraad’ pleegt en de ander niet. De geschiedenis heeft de verrader, Kazan, ongelijk gegeven. Hoewel hij oprecht meende dat communistische tendensen in Amerika een gevaar vormden dat hij graag hielp te bestrijden, had hij zich behoorlijk vergist in de omvang van dit gevaar en de onkiese praktijken van McCarthy die zovele van zijn collega’s in problemen bracht.



12 Reacties

  1. Thierry Verhoeven

    Toevallig juist gisteren de 1996-versie van The Crucible gezien, waarbij ik na afloop juist moest denken aan het nummer Hunting for Witches van Bloc Party, wat juist weer betrekking heeft op de islamangst van enkele jaren terug (en tot op zekere hoogte ook vandaag de dag). Ik denk alleen dat je met betrekking tot The Crucible een bepaald aspect buiten beschouwing: de film die ik heb gezien vermeldt immers stellig dat principes en standvastigheid net zo vaak (zo niet vaker) tot onnodige slachtoffers leiden in plaats van echt een probleem op te lossen. Principes, logica en goed argumenten werken immers, zoals ik vaak pleeg te zeggen, alleen bij mensen die daar vatbaar voor zijn…

  2. Ric

    Je hebt me in ieder geval behoorlijk benieuwd gemaakt naar deze twee films. Het McCarthyisme is voor mij toch naast het Watergate schandaal een van de interessantste onderdelen van de naoorlogse Amerikaanse geschiedenis. Bovendien wist Miller me behoorlijk te boeien met Death of a Salesman.

  3. Rik Niks

    Thierry: in eerste instantie vond ik Proctor’s keuze ook vrij zinloos over komen, maar ik ben het niet helemaal met je eens dat daar uit voortvloeit dat het zinloos is om tegen onredelijke mensen principieel te zijn. In dit geval was alle ellende er niet geweest als iedereen direct vanaf het begin principieel geweest was en niet bekend en anderen verraden had. Probleem is natuurlijk dat dat alleen werkt als iedereen dat doet, en juist daar gaat het meestal fout. De analogie doortrekkend is dit denk ik ook wat Miller wilde zeggen in het licht van de McCarthyiaanse heksenjacht.

    Ric: Death Of A Salesman wist mij niet zo te boeien; te statisch en van die hysterische Willy Loman kreeg ik al snel een jeukerig gevoel. Aan The Crucible (de film) is overigens, hoewel als film vrij saai, niet af te zien dat het oorspronkelijk een toneelstuk was.

  4. Rob Comans

    Beste Rik Niks,

    Complimenten voor je ‘McCarthyisme in Hollywood’ artikel.
    Eén van de titels die ik echter mistte in je opsomming (en ik weet niet of dat bewust was of niet) is Fred Zinnemann’s klassieke western High Noon (1952).
    Een film die met ‘The Crucible’ gemeen heeft dat in beide een protagonist wordt opgevoerd die bereid is pal te staan voor zijn overtuiging (in High Noon is dat Gary Cooper die als marshall Will Kane het moet opnemen tegen een bende outlaws, geleid door Frank Miller, en en passant er achter komt wat de burgers van het gehucht Hadleyville, die hij zo lang trouw gediend heeft, precies waard zijn). Samen met On the Waterfront wordt High Noon vaak genoemd omdat in beide films de hoofdpersonen gesteld worden voor een principiële keuze: meebuigen met, of zich juist te weer stellen tegen een (politiek) systeem en de daaruit voortvloeiende druk die op hen wordt uitgeoefend. Kazan’s film breekt, weinig verwonderlijk gezien zijn eigen ervaringen t.o. McCarthy en HUAC, een lans voor het eerste standpunt; Zinnemann’s film echter wil niets weten van dat soort morele compromissen: stoïcijnse onbuigzaamheid dient als enig wapen tegen politieke bullebakken als McCarthy in stelling te worden gebracht (ook niet verwonderlijk, gezien het feit dat High Noon’s scenarioschrijver Carl Foreman ook het nodige met HUAC te stellen heeft gehad).
    Zoals je misschien weet (of niet) werkte Arthur Miller lange tijd met Elia Kazan aan een project getiteld The Hook, dat de infiltratie van de New Yorkse havenvakbonden door de mafia als onderwerp had. Deze samenwerking eindigde abrupt toen Kazan, die zijn carrière als regisseur bedreigd zag, uiteindelijk in 1952 besloot namen te noemen voor HUAC. Kazan maakt in zijn daarop volgende speelfilm On The Waterfront (1954) van Terry Malloy een soort Christus figuur, verguisd en onbegrepen lijdend voor de waarheid, hoogstwaarschijnlijk als apologie voor zijn eigen handelen. Miller schreef als reactie op Kazan’s film het toneelstuk A View from The Bridge (1954) waarin, wederom tegen de achtergrond van de New Yorkse haven, het thema verraad in elk facet tegen het licht wordt gehouden. Wanneer deze materie je interesseert kan ik ook van harte het boek ‘Seeing Is Believing: How Hollywood Taught Us To Stop Worrying And Love The Fifties’ (1983) aanraden van auteur Peter Biskind: een analyse van het Amerikaanse politieke en sociale klimaat ttv de Koude Oorlog, en specifieker een studie naar hoe politieke waarden verweven zijn in tal van speelfilms en filmgenres uit die periode (oa oorlogsfilms, westerns en vooral SF). Hilarisch, boeiend en leerzaam.

    Overigens ben ik het niet helemaal met je eens waar het je lezing van Terry’s handelen in On The Waterfront betreft: in plaats van vast te houden aan zijn oorspronkelijke overtuiging (en die van zijn collega’s: ‘Don’t be a canary.
    Be D + D – deaf and dumb’) gaat hij uiteindelijk overstag en getuigt tegen zijn vroegere kompanen. Dit brengt hem in conflict met zijn omgeving die, hoewel ze de corrupte mafia gorilla’s haten, nog meer de pest hebben aan een verrader: ‘A pigeon for a pigeon’ roept de jongen die al Terry’s duiven gedood heeft, alleen maar omdat Terry niet langer voldoet aan datgene wat een held volgens de knul moet zijn. De analogie is dan makkelijk door te trekken: Kazan is meer geïnteresseerd in het proces van Terry’s morele bewustwording en groei naar volwassenheid, dan in het domweg vasthouden aan een overtuiging, zoals de jongen in zijn onvolwassenheid placht te doen. De overtuiging waar Marlon Brando aan het einde van de film voor wordt afgetuigd is dan ook een wezenlijk andere dan die welke hij huldigt aan het begin van de film.

    Ook betwijfel ik of Kazan gezien dient te worden als een verrader die door de geschiedenis in het ongelijk is gesteld. We weten immers allemaal tot welke verschrikkingen communistische regimes in staat zijn gebleken. Maar OK, Westerse regimes ook. Wel denk ik dat Kazan’s handelen niet zozeer ingegeven werd door oprechte politieke overtuigingen, maar eerder door opportunisme: in plaats van geen namen te noemen en zich toe te leggen op een carrière als theater-regisseur (waar hij eind jaren ’40 en begin jaren ’50 grote triomfen vierde), besloot hij dat het belangrijker was om zijn loopbaan in Hollywood veilig te stellen, daar het medium film hem meer mogelijkheden bood dan het theater.

    Als laatste punt: HUAC’s bemoeienissen met Hollywood begonnen al eerder dan begin jaren ’50, namelijk in 1947, toen de eerste reeks hoorzittingen naar vermeende anti-communistische activiteiten in Hollywood begon, toen nog onder voorzitterschap van J. Parnell Thomas. Wel eens gehoord van de Hollywood Ten?
    Overigens had HUAC’s ‘communistenjacht’ weinig te maken met de vrees voor infiltratie van Hollywood door een communistische Vijfde Colonne, maar eerder met het vanuit regeringswege aan banden leggen van de filmindustrie, welke door sommigen in de toenmalige regering werd gezien als verkwistend, moreel laakbaar en bedreigend zolang de creatieve vrijheid van progressieve scenarioschrijvers, acteurs en regisseurs niet aan banden was gelegd. Interessante filmtitels in dit opzicht:

    - Pleasantville (VS 1998, regie Gary Ross)
    - The Front (VS 1976, regie Woody Allen)
    - Guilty by Suspicion (VS 1991, regie Irwin Winkler)
    - Fellow Traveler (VS 1989, regie Philip Saville) (TV)
    - Storm Center (VS 1956, regie Daniel Taradash)

  5. Ric

    Even snel een toevoeging: Kazan gaf deze namen zeker niet uit principiële overtuigingen, van de namen die hij gaf, wist hij namelijk al dat ze bekend waren bij HUAC.
    Daarnaast is de VS natuurlijk in de jaren dertig met de Hays code al begonnen met het ‘censureren’ van Hollywood films.

  6. Rob Comans

    Beste Ric,

    Hoewel je gelijk hebt wanneer je zegt dat de namen die Kazan noemde al bij voorbaat bekend waren bij HUAC, laat dat onverlet dat hij zich terdege bewust was van het feit dat zijn medewerking de commissie veel politieke geloofwaardigheid en dus macht op zou leveren, daar Kazan’s naam op dat moment synoniem was met heel progressief, links georiënteerd Hollywood.
    Kort gezegd: Kazan’s getuigenis ‘made’ HUAC.

    Het is precies dit punt dat veel coryfeeën van ‘the Hollywood Left’ Kazan nooit hebben willen vergeven, met name Abraham Polonsky (wiens magistrale film noir ‘Force of Evil’ (1948) ik node mis in jullie lijstjes). Vooral sinds laatstgenoemde in 1998 een lastercampagne opzette rondom de uitreiking van een Life Achievement Award aan Kazan door de Academy of Motion Picture Arts and Sciences (onder de slogan: ‘Don’t whitewash the blacklist’ werd een paginagrote advertentie in Variety afgedrukt waarin genodigden voor de ceremonie werden opgeroepen niet te applaudiseren wanneer Kazan zijn onderscheiding in ontvangst zou nemen) is er een kwade reuk gaan hangen rondom Kazan die de aandacht afleidt van datgene waar het, mijns inziens, om zou moeten gaan, nl. zijn films. Ik denk dat de rabiate haat die veel oud-gedienden van het linkse intellectuele Hollywood tentoonspreiden waar het Kazan betreft, meer zegt over hun onverzoenlijkheid en fossiele status dan over iets anders. Niet ieders carrière werd verwoest door HUAC, cq. Kazan (lees het boek ‘Hollywood Exile’ (1999) van Bernard Gordon maar eens).

    Oh, en waar het de Hays Code betreft: je zult het met me eens zijn dat er een basaal verschil bestaat tussen het bepalen van de duur van een filmkus, het al dan niet beslissen of het decolleté van Jane Russell in ‘The Outlaw’ (1943) te zichtbaar is of het kostuum van Maureen O’Sullivan in ‘Tarzan and His Mate’ (1934) te naakt, en de werkelijke politieke macht die HUAC in haar hoogtijdagen had en die de carrières van veel mensen in Hollywood ook werkelijk geschaad heeft. Soms blijvend, met alle gevolgen van dien (er zijn helaas voorbeelden te over van mensen die zelfmoord pleegden, aan de alcohol of aan lager wal raakten vanwege hun naam op de ‘blacklist’ en de daaruit voortvloeiende marginale status binnen Hollywood, of uit wroeging voor het noemen van namen en het leed dat daardoor veroorzaakt werd).
    De Hays (of Production) Code was bedoeld om Hollywood’s zedelijkheid en fatsoen op te kalefateren, en is in dat opzicht ook eerder een bewijs van de benepen houding van veel van de moraalridders uit die tijd (waarom zou anders William Hays, die daarvoor de Amerikaanse posterijen bestierde, ineens de leiding krijgen over de MPPDA, die toezag op uitvoering van de Production Code. HUAC daarentegen was uit op werkelijke invloed, nl. het op inhoudelijk niveau censureren van speelfilms.

  7. Ricardo Berentsen

    Natuurlijk is de Hays code nooit zo ver gegaan als HUAC. Het ging mij er om, om aan te geven dat voor HUAC de regering zich ook al bemoeide met Hollywood.

    Ik moet trouwens zeggen dat jouw kennis vér boven de mijne uitstijgt, waardoor ik zeker benieuwd ben geworden naar de boeken die je aanraadt.

  8. Rob Comans

    Beste Ricardo,

    Het was niet mijn bedoeling om je terecht te wijzen, hoor. Sorry als mijn commentaar zo overgekomen is. Want je hebt gelijk: de Hays Code is inderdaad een eerste voorbeeld van overheidsbemoeienis binnen Hollywood.
    Ik vind het gewoon leuk een beetje te sparren met mede-cinefielen. Want zo mag ik de redactie van SI wel noemen. Overigens mijn complimenten voor jullie prima site! Oogstrelend én inhoudelijk goed.

    Waar het mijn kennis rondom HUAC en Hollywood betreft: ik schreef mijn scriptie over het onderwerp (Algemene Cultuurwetenschappen, Radboud Universiteit Nijmegen). Dus ben uiteraard als gevolg daarvan flink ingelezen in het onderwerp (hoewel gedeformeerd misschien een beter woord is… :-)

    Mocht je het interessant vinden: nog een aantal prima boeken over het onderwerp zijn:

    - ‘Running Time: Films of the Cold War’ – auteur Nora Sayre – The Dial Press – 1982
    - ‘Naming Names’ – auteur Victor S. Navasky – The Viking Press – 1980
    - ‘The Inquisition in Hollywood: Politics in the Film Community 1930-1960′ – auteurs Larry Ceplair en Steven Englund – The Viking Press ? – 1980

  9. Ricardo Berentsen

    Ik had ook zeker niet het gevoel dat je me terecht wees, ik gaf alleen een verduidelijking aan. Ik zie dit soort ‘discussies’ vooral als leermogelijkheden.

    Dit is absoluut een van de meest interessante onderdelen van de Amerikaanse geschiedenis (naast Watergate) en aangezien ik een student American Studies met een minor in film ben, interesseert me dit zeer zeker.

  10. Rob Comans

    OK, duidelijk.
    En je hebt gelijk: het McCarthyisme en HUAC blijven inderdaad fascineren, zeker daar ze voorgekomen zijn in de geschiedenis van een land dat zich zo voorstaat op haar democratische grondbeginselen. Maar dat is juist het boeiende: door de hele Amerikaanse geschiedenis (en zeker in de films ttv de Koude Oorlog) is dat spanningsveld voelbaar tussen ‘rugged individualism’ aan de ene kant, en de hang naar conformisme aan de andere. Het is alsof de pioniersmentaliteit van de eerste kolonisten constant in conflict is met de ondernemersgeest die het latere Amerika kenmerkt (de cowboy tegenover de zakenman, als het ware).

    Eind negentiende eeuw werd Amerika steeds meer een vastomlijnde natie en dito economie. De gevestigde orde kan het zich niet meer veroorloven criminelen ongestoord hun gang te laten gaan, en maakt dan ook systematisch en onverbiddelijk jacht op ze, vanwege het simpele feit dat er nu VEEL GELD mee gemoeid is. Vanzelfsprekend komt dit thema in tal van westerns, maar ook in veel gangsterfilms, tot uiting.

    Mocht je ze nog niet kennen: films die zeker interessant voor je zijn, omdat ze allemaal raken aan het bovenstaande, zijn:

    - Johnny Guitar (VS 1954, regie Nicholas Ray)
    - The Fountainhead (VS 1948, regie King Vidor)
    - Force of Evil (VS 1948, regie Abraham Polonsky)
    - The Wild Bunch (VS 1969, regie Sam Peckinpah)
    - Pat Garrett & Billy the Kid (VS 1973, regie Sam Peckinpah)
    - Butch Cassidy & The Sundance Kid (VS 1969, regie George Roy Hill)
    - Bonnie and Clyde (VS 1967, regie Arthur Penn)
    - Tell Them Willie Boy Is Here (VS 1969, regie Abraham Polonsky)

    Verder kan ik je, nogmaals, Biskinds boek van harte aanbevelen.
    Vooral hetgeen hij schrijft over de SF films uit de jaren ’50, vaak afgedaan als triviale B-films, laat je met een totaal nieuwe blik naar die films kijken (oa The Thing from Another World (1951); The Day The Earth Stood Still (1951); Invasion of the Body Snatchers (1956); Them! (1954) en vele anderen.

  11. theodoor

    Jaren 50 scifi staat inderdaad bol van de angst voor het communisme, en is een duidelijke weerspiegeling van het amerikaanse denkbeeld in die tijd. Amusement qua uiterlijk maar vaak met een bewuste onderlaag. Overigens zijn ook films als Godzilla op een politiek niveau te lezen.

  12. Rik Niks

    Dank voor je uitvoerige aanvullingen, Rob, interessant te lezen. High Noon had ik zelf nooit zo gelinkt met het McCarthysme, maar zal ik een volgende keer zeker eens vanuit dat perspectief bekijken. En wat betreft Kazan: natuurlijk heeft het communisme voor heel wat ellende gezorgd, maar we kunnen achteraf gezien toch wel concluderen dat de hele hetze in Amerika erg overtrokken was. Dit, plus het inlaten met praktijken die toen misschien geaccepteerd werden, maar waarvan men het naderhand over eens werd dat deze op zijn best nogal louche waren, lijken mij de stelling te rechtvaardigen dat Kazan geen gelijk heeft gekregen door de geschiedenis. (Dit is natuurlijk wel makkelijk achteraf gepraat). Je maakt een terechte opmerking dat On The Waterfront vooral het proces van morele bewustwording beschrijft: dat is immers wat de film (mede) zo sterk maakt! Malloy was niet altijd al principieel, maar o.a. de moord op zijn broer gaf er aanleiding toe. Aan de uiteindelijke conclusie doet het niets af, namelijk de noodzaak in sommige situaties te rug recht te houden ten einde het kwaad te bestrijden. Volgens mij verschillen we dan ook niet van mening over Malloy’s rol in On The Waterfront.

    Je titel van Biskind ben ik nieuwsgierig naar, temeer ik erg genoot van zijn Easy Rider’s & Raging Bulls.


Reageer op dit artikel