Moe van het gedroom
De beperkingen van de droomsequentie

21-10-2009 | Rik Niks | Column

Een kort stukje vandaag, daar ik enkel wat ergernissen te spuien heb aangaande een fenomeen waarvan ik op het een of andere moment uitgekeken bleek: de droomsequentie. Niet zelden een hoogtepunt van de film, denkend aan de soldaten met zeisen in Komissar, de huifkar met doodskist in Smultronstället of de Dali-absurditeiten in Spellbound, maar waarschijnlijk even zovaak leidend tot tenenkrommende taferelen die de kijker eerder naar een eigen dromenland doen verlangen.

Dat de droomscène op menig regisseur aantrekkingskracht uitoefent is niet zo vreemd. In het arsenaal aan verteltechnieken dat hem ten dienste staat is deze veruit met de meeste vrijheid in te vullen; hier kan tijdelijk gebroken worden met de stijl van de rest van de film, een (bijna) op zichzelf staande episode verteld worden en zelfs allerhande aardse beperkingen genegeerd worden. Hoewel ik als kijker bijna per definitie verrast wil worden, en de droomscène daartoe dus alles in huis heeft, maakt dit nog lang niet elke droomscène geslaagd.

Ondanks de schijnbare grenzeloze vrijheid zal het toch altijd een vereiste zijn dat met de scène iets toegevoegd wordt aan het grotere geheel van de film. Geheel los staand van de context van de film is het nietszeggende vulling, teveel meegaand in die context voegt het weer te weinig toe. Een voorbeeld van dat laatste is de scène in Vertigo, waarin (op overigens beslist onappetijtelijke wijze) de obsessies van hoofdpersoon Scottie verbeeld worden, die ook zonder deze scène meer dan duidelijk waren geweest.

Voor wat betreft de visualisatie van dromen: een must. De reden dat (goede) droomscènes vaak tot de best onthouden scènes van een film behoren is de visuele flair die er ingelegd kan worden en het eventuele contrast dat ze visueel vormen ten opzichte van de rest van de film. Wat daarentegen niet werkt zijn verbaal aan de kijker overgebrachte dromen. Van de stroom woorden die voorbij trekken zal bij de kijker, afgeleid door visuele inhoud die los staat van de droom zelf, niets landen. Een sterk staaltje kwam ik tegen bij Tarkovsky’s Nostalghia, waarin maar liefst tot twee keer toe op deze wijze een ‘betekenisvolle’ droom met de kijker gedeeld wordt.

Nodeloos te zeggen dat ik daarvan weinig meer kan recapituleren, maar ook op het moment zelf is me in dergelijke gevallen niet altijd duidelijk wat ik aan moet met deze zijweg. Dat is een ander bezwaar dat aan een droomscène kleeft; de gewichtigheid, de pretentie van de presentatie, het vormt een eenvoudig middel om een diepgang te suggereren die er niet per sé is. In een toch al met niet geringe pretenties opgetuigd werk als Nostalghia werken dergelijke afleidmanoeuvres enkel averechts.

Zodoende valt te concluderen dat de droomsequentie zijn aantrekkingskracht ontleent aan de schijnbare vrijheid van het moment, maar is de werkelijk geslaagde droomsequentie deze die binnen tóch aanwezige kaders die illusie in stand weet te houden.



Reageer op dit artikel