Wake up!
Spike Lee (1): de jaren ‘80

6 november 2009 · · Kritiek

Spike Lee is een filmmaker die mij al fascineerde voordat mijn filmliefde echt vorm kreeg. In de eerste top lijst, die ik meer dan tien jaar geleden samenstelde toen ik een jaar of 14 moest geweest zijn, prijkt een film van hem bovenaan. Door de jaren heen zag ik wel een aantal van zijn films, maar toch bijna de helft van zijn oeuvre was tot voor kort nog altijd aan mij voorbijgegaan. Daarom kijk en herkijk ik nu het grootste deel van zijn werk (sommige titels zijn erg moeilijk te krijgen), dat zeker niet altijd even goed is. Omdat ik hier nog grotendeels aan moet beginnen, zal dit geen doorlopende reeks worden, maar eentje die regelmatig terugkomt. Ik begin vandaag met een introductie van de regisseur en zijn eerste films, in de jaren ’80.

Ik kies voor deze tijdsindeling omdat Rik eerder een stuk schreef (klik hier) over Lee’s werk direct na de periode die hier aan bod komt. Niet dat ik het in mijn volgende stuk over Spike Lee niet over die films zal hebben die Rik beschreef. Ik ben van plan in twee stukken zijn jaren ’90 films te behandelen, en dan een stuk te wijden aan zijn speelfilms van dit decennium (wat ook binnen een andere terugkerende serie op Salon Indien past) en tenslotte nog iets te schrijven over zijn documentaires. De volgorde van die laatste twee staat niet vast.

Shelton Jackson Lee wordt in 1957 in Atlanta, Georgia geboren. Zijn moeder noemt hem al snel ‘Spike’, en terwijl hij nog zeer jong is verhuist de familie Lee naar Brooklyn, New York. Moeder, een lerares, sterft in 1977, hetzelfde jaar dat Spike zich aanmeldt voor een filmklas aan de New York University. Op de universiteit maakt hij enkele korte films, waaronder The Answer, waarin een zwarte scriptschrijver het racistische epos Birth Of A Nation (in sommige kringen vereerd als belangrijke filmgeschiedenis) moet herschrijven. Lee wordt hiervoor bijna van de universiteit wordt geschopt. Voor zijn afstudeerfilm Joe’s Bed-Stuy Barbershop: We Cut Heads wint Lee in 1983 de Student Academy Award, een prijs van de Academy om jonge talenten aan te moedigen. John Lasseter en Trey Parker wonnen er ook ooit één. Het levert Lee echter niet de gehoopte financiering op. Het duurt nog drie jaar voordat hij zijn eerste echte film van de grond krijgt:

She’s Gotta Have It is een kleine, onafhankelijke, intieme zwart-wit film waarin titelpersonage Nola Darling een relatie met drie mannen tegelijk heeft. Zij proberen haar te laten kiezen, maar in haar ogen schieten alle drie apart tekort. De positieve eigenschappen van hen bij elkaar opgeteld, dat zou een man zijn waar zij wel voor kan kiezen. Het documentairestijltje waarbij de personages direct in de camera praten, levert een ietwat afstandelijke film op. De controverse van later is nog ver weg, hier zijn vooral de invloeden van een hoop andere filmmakers zichtbaar, met name die van Woody Allen. Net als zijn films zullen die van Lee zich bijna altijd in New York afspelen, meestal zelfs in Brooklyn. She’s Gotta Have It bevat wel al een paar leuke stilistische trucjes, waarvan de meest opvallende één scène in kleur is, en een korte montage van flauwe versiertrucs, een voorbode van een van de beruchtste scènes van zijn doorbraakfilm. Het is niet een van Lee’s betere films, maar desalniettemin met 80 minuten wel een van kortste en daardoor best te doen. De grootste overeenkomst tussen deze film en de rest van zijn oeuvre is de losse vertelstijl en het feit dat hij zelf een van de hoofdrollen speelt. Het sterke acteerwerk en de mooie muziek van veel latere films zijn hier nog niet in te zien of horen.

School Daze is een veel ambitieuzere film dan Lee’s eerste, wat zowel de kracht als de zwakte van de film is. Zoals hij later nog wel vaker zal doen neemt Lee teveel hooi op zijn vork, en werkt weinig daarvan echt goed uit. Alleen in een spontane musicalscène, de beste scène van de film, komt de hoofdthematiek van de film echt goed naar voren. Jammer dat Lee in de rest van de film niet even scherp is over wat zwart zijn in de Verenigde Staten anno 1988 betekent, en wat de voor- en nadelen zijn van donkerder of lichter gekleurd zijn. Lee stipt te veel onderwerpen zonder er verder op terug te komen in een chaotisch verhaal over een exclusief zwart college waarin Laurence Fishburne en Giancarlo Esposito een conflict hebben over de studentenvereniging van de laatste. Ondertussen probeert Spike Lee als neef van Fishburne juist lid te worden en hebben de vrouwen op de universiteit hun eigen (maar verwante) problemen. Bijster interessant wordt het allemaal niet. Tel daarbij het gebrek aan focus op en de “wake up” schreeuw van Fishburne richting het publiek aan het einde van de film komt loos over. Voor zover ik tot nu toe weet een van de minste ‘joints’* van Lee.

Na twee redelijk tot matige films schiet Spike Lee eindelijk vol in de roos met zijn derde film, Do The Right Thing, misschien wel zijn meesterwerk. Rik vind in ieder geval van wel, maar Darren Arnold, auteur van het boekje waar ik de achtergrondinfo in dit stuk grotendeels vandaan heb, die Clockers, He Got Game en Summer of Sam beschouwt als Lee’s beste titels. Ik ga het allemaal zien en herzien, maar nu terug naar Do The Right Thing. Hierin vindt Spike eindelijk focus en het resultaat is een prikkelende film over rassenrelaties in de Verenigde Staten. De heetste dag van het jaar in New York barst aan het eind uit zijn voegen doordat onderhuidse (raciale) spanningen niet meer onderdrukt kunnen worden. Samuel L. Jackson opent als DJ de film met de kreet ‘wake up!’, en dit keer voelt dat wel urgent en belangwekkend aan. Lee kaart aan dat de raciale problemen van de V.S. nog lang niet voorbij zijn, alleen dat ze nu minder worden uitgesproken en/of verborgen of verdrongen worden. Hij biedt geen oplossingen hiervoor, maar probeert Amerika wakker te schudden. Dit doet hij met prachtig ‘heet’ camerawerk, een mooie spanningsopbouw, boeiende personages, een uitstekende cast en een ijzersterke soundtrack van zoals tot nu toe altijd papa Bill Lee, die werkt met o.a. saxofonist Brandford Marsalis en trompettist Terence Blanchard, twee muzikanten die nog vaker te horen zijn in Lee’s films. De volgende keer meer daarover, als we de jaren ’90 ingaan.

*=Voor zij die het niet weten: Spike Lee noemt zijn films ‘joints’, althans, zo doet hij dat in de begintitels door die met “A Spike Lee joint” te laten beginnen.


Onderwerpen:


Reageer op dit artikel