2 ou 3 choses je sais d’elle (1967)

1 april 2010 · · Kritiek

Je hoeft je niet af te vragen waar de titel naar refereert, maar je kunt meteen vaststellen dat het enerzijds over het vrouwelijke hoofdpersonage gaat (Marina Vlady – let op haar introductie!), een huismoeder die bijverdiensten maakt als prostituee, en anderzijds over de stad Parijs die volgens Godard via nieuw- en hoogbouw in de buitenwijken zich waarschijnlijk evenzeer leende voor een stedenbouwkundige vorm van onzedelijkheid. Omdat Godard graag met culturele referenties strooit (waarmee hij op intellectueel niveau als altijd een zekere afstand neemt tot de kijker), verwonder ik me in zelfde lijn in hoeverre de stedelijke achtergrond van deze banlieues uit de kleurrijke, schone jaren zestig van Parijs in overeenstemming zijn met het grijze junglereservaat van La Haine dertig jaar later. Is dit werkelijk dezelfde setting? Het beeld dat de film oproept als product van (en over) zijn tijd is voor mij al fascinerend genoeg om naar te kijken, voornamelijk door de verdienste van de technische virtuositeit waarmee Godard unieke shots weet te scheppen. Wat ik me dan wel afvraag: is dit visuele genot op zichzelf voldoende?

Een nieuwe stelling om een verse alinea mee aan te snijden: wanneer telkens twee aspecten frustrerend werken in Godards visuele essay, staan daar steeds drie andere momenten tegenover die wel weten te fascineren. Natuurlijk kan deze positieve verhouding voor een andere kijker net andersom liggen (dat de film kan maken of breken); natuurlijk is het ook een geforceerde toespeling op de titel, maar wanneer Godard op een even directe, opdringende manier bezig is taal in te zetten om zijn eigen beelden te ondervragen, voel ik me gevrijwaard om op een zelfde manier te mogen schrijven over wat hij tracht te vertellen in een klein anderhalf uur.

Het eerste wat niet werkt in een verhaal over onverschilligheid en overspel is dat de personages geen emoties meekrijgen, slecht intellectuele zinsneden uit het brein van de regisseur. Godard laat echter in de eerste scène van de film via een quote van Brecht zijn actrice al declareren: “Speak as though quoting the truth. Old father Brecht said that, that actors should quote.” Al dit gequote zorgt er voor dat de personages acteren als modellen (maar helaas niet in dienst van een subtiel drama dat zich langzaam ontvouwt als bij een film van Robert Bresson). Godard schept hiermee een emotionele afstand waar je als kijker slechts de keuze hebt om deze te accepteren door te gaan denken volgens de richtlijnen van zijn stijl.

Ik denk zelf ook niet zozeer dat Godard heel veel waarde hecht aan de emoties van zijn personages – en dan spreek ik over zijn gehele oeuvre – maar meer aan ideeën, vormen en kleuren. Over dit laatste kenmerk gesproken lijken zijn paletten telkens weer te worden beheerst door de primaire drie-eenheid van het spectrum waarmee we de wereld te zien krijgen: rood, blauw en geel. Niet alleen 2 ou 3 choses je sais d’elle zit er vol mee, bijna al zijn jaren zestig kleurenfilms laten keer op keer deze signatuur zien. In plaats van emoties roepen die vrolijke kleuren voor mij altijd een gevoel op van een wereld die even artificieel als vitaal is. Het was zelfs mijn grote fascinatie tijdens het kijken van Pierrot le Fou om aan al deze kleuren op het scherm een emotie te verbinden, maar over deze zotte deconstructieopdracht voor mijn studie destijds zal ik voor jullie welzijn verder niet uitweiden. Doorgaand op de kleuren zijn de vormen ook intrigerend zoals bij de longtakes van de cityscapes (“A landscape is like a face”) en de close-ups zoals die van een kop koffie dat letterlijk een nieuw universum lijkt op te roepen.

De prismatische verbintenis tussen kleur en vorm breekt een ander punt aan: Godards onaflatende fetisj voor intertekstualiteit in de vorm van boektitels die door het beeld heen knipperen, citaten van personages over politiek, oorlog, literatuur en dit keer een persoonlijke voice-over in fluistertoon. Vooral dit laatste, onzichtbare element fascineert door zijn autoritaire toon, zijn dwangmatige onderzoekingen over de stand van de consumptiemaatschappij en zijn wilde brei aan ideeën over de functie van taal en beeld (“Language is the house man lives in”). Deels werkt dit, maar in de context van het geheel met referenties over een weer, de aanhoudende afstandelijkheid met betrekking tot het eigen plot, lijkt er nooit ergens een moment te komen wanneer de boodschap echt impact maakt op de kijker. Ik denk dat daarom het eindshot van de producten van de massaconsumptie de nodige uitwerking mist en nu vooral gedateerd overkomt.

Tegelijk vertelt deze gedachtestroom des te meer over hoe Godard met 2 ou 3 choses je sais d’elle een steeds meer radicale weg zou inslaan, die hij in hetzelfde jaar zou voortzetten met La Chinoise en Week End. De personages en het plot werden steeds meer ondergeschikt aan het politiek-intellectuele spectrum waar Godard door het maoïsme beïnvloed in ging opereren. Ondanks deze nadelen, de gebreken waarmee Godard zich in de loop van de jaren zestig zich op een spijtige manier zou gaan distantiëren van de kijker, is de beeldtaal van 2 ou 3 choses je sais d’elle nog steeds prikkelend en vooruitstrevend te noemen, hetzij paradoxaal genoeg ook beperkt en licht gedateerd.


Onderwerpen:


Reageer op dit artikel