Begone Dull Care (1949)
De synesthetische esthetiek van Norman McLaren

31 december 2010 · and · Kritiek

Photobucket

Na de heftige praktijken in Cutting Moments (1997) en Elephant (1989) wilden we op deze laatste dag van het jaar meer luchtig tegenwicht bieden met het kleurrijke jazzpalet van Begone Dull Care (1949), gemaakt door de Canadese celluloidkunstenaar Norman McLaren. Ooit een pionier op het gebied van animatie, is het nu een weinig gehoorde naam en dat is jammer, want zijn experimentele, maar altijd vrolijke beeldtaal is niet alleen universeel van opzet, maar ook vrij tijdloos van aard.

H Het gebeurt slechts zelden dat filmmakers het nauwe samenspel tussen beeld en geluid na proberen te jagen. Maar al te vaak wordt het esthetische belang van deze wisselwerking miskend. Vermaard avant-gardist Brakhage ging zelfs nog een stap verder en schreeuwde het van de daken ‘geluid, geen haar op m’n hoofd die daar aan denkt!’ Had-ie maar een andere benadering gekozen, want tijdens het kijken van zijn films hoop je meer op een soundtrack dan Tantalus naar zijn smakelijke druiven verlangde. Norman McLaren gooit het over een andere boeg en schotelt ons – net als ome Stan – een handgeschilderde film voor, die wél zijn vruchten af weet te werpen. Geheim ingrediënt voor dit succes: beeld en geluid tonen zich tezamen.

De film is het toonbeeld [!] van synergie, ofwel meer dan de som der delen. De elementen zijn op zichzelf genomen niet van een zinnenprikkelende kwaliteit. Van jazz, in dit geval een compositie van het Oscar Peterson-trio, word ik vaak wat kriebelig, en deze nervositeit wordt niet bepaald getemperd door de lukrake opeenvolging van Jackson Pollock-achtige kwakjes en minimalistische lijnen in het wit. En toch… stem de delen op elkaar af en je krijgt een resultaat dat volledig weet te overdonderen. Je ziet de ritmes en hoort de kleuren: synesthetische waanzin!

Zoals ik al zei, deze proto-videoclip neemt een vrij unieke plek in de filmgeschiedenis in. Een decennium eerder spraken de werken van Len Lye (A Colour Box) en Oscar Fischinger (Radio Dynamics) op gelijke manier tot de auditieve verbeelding. Hedendaagse digitale equivalenten kan je zien in Rutherford’s interpretatie van Gantz Graf en in de architectonische Hinterwelt die Umfeld, vormgegeven door technopionier Speedy J en videokunstenaar Pagano. Maar op deze spaarzame werken na blijft het echter muisstil op dit potentieel interessante raakvlak tussen beeld en geluid: doodzonde!

F Het bijzondere aan Begone Dull Care is dat Norman McLaren eerst een halve minuut uittrekt om zijn short te introduceren in verschillende talen (Engels, Frans, Spaans, Hindi, Italiaans, Russisch en Duits) waarmee hij de universele klank van zijn animatie lijkt te willen benadrukken. Dit doet hij op een speelse manier met muziek en montage, een techniek die hij de gehele lengte aanhoudt. Je kunt de short vervolgens in drie stukken opdelen aan de hand van elk een nieuwe animatiestijl met een toepasselijke jazzsoundtrack. Het introducerende deel is de meest vrolijke kakofonie van de drie, waarna de tweede minimalistisch in zwart-wit een bedachtzaam intermezzo vormt, zodat het derde deel in uptempo het drieluik in een chaotische brei af kan ronden. Deze opbouw en afwisseling laat zien dat Begone Dull Care als compositie goed doordacht is en voelt daarmee completer dan de meeste avant-garde perikelen in celluloid.

Henk Mul legde al sterk uit hoe belangrijk geluid hier functioneert tot de beelden, dat mij wederom ervan doordringt hoezeer film als audio-visueel medium zijn eigen taal kent. Een goed voorbeeld van de geslaagde combinatie die Norman McLaren hiervan verpersoonlijkt, is ook al te zien in Dots (1940) die McLaren op dezelfde manier produceerde door het celluloid zelf te bewerken, evenals – in tegenstelling tot Begone Dull Care – de geluidsband. Het maakt de kijker bewust van hoe het medium in elkaar zit en lijkt, zoals bij Begone Dull Care, bijna te pleiten voor een abstracte kunststijl in de vorm van auditieve schilderkunst in beweging.

Natuurlijk zie je deze kleine werkjes niet in musea hangen, maar denk aan de abstracte werken van Piet Mondriaan en Paul Klee, en je merkt hoezeer hun werken in stilstaande wijze overeen kunnen stemmen met die van Norman McLaren. Het duidt ook aan hoezeer de status van kunst met film is verschoven van een privaat domein naar een privaat-publiek domein (musea) naar een geheel publiek domein (bijvoorbeeld Youtube). De cultuurfilosoof Walter Benjamin beschreef deze transitie in zijn beroemde essay The Work of Art in The Age of Mechanical Reproduction al bijna tachtig jaar geleden, dat me doet herinneren in hoeverre Begone Dull Care een prachtig voorbeeld is van hoe film invulling geeft aan de intrinsieke status van zijn eigen medium.


Onderwerpen: , , , , , , ,


4 Reacties

  1. Bob

    oh bah.

  2. Fedor

    Wat ‘oh bah’? De film, de recensie of je eigen reactie?

  3. theodoor

    Nu is het samengaan van muziek en animatie op een organische manier al zo oud als de eerste filmpjes van Walt Disney (in animatie-kringen wordt het synchroniseren op deze manier zelfs Mickey Mousing genoemd), zelden heb ik het zo goed gedaan zien worden als hier. Ik vermoed dat Norman McLaren op dit gebied een soort van pionier is, maar origineel is het in retrospect helaas niet meer. Er is een grote schare aan navolgers die Jazzy muziek mixen met bewegende lijnen en stippen. In Nederland hebben we bijvoorbeeld de inferieure Oerd van Cuijlenborg (mijn ding is zijn werk niet). Wat ik hier overigens het beste vond werken waren de verschillende lagen die over elkaar heen werden gemonteerd en de wat simpeler stukken met alleen zwart en witte lijnen.

  4. theodoor

    Het klopt dus niet helemaal wat jullie zeggen dat het stil blijft op dit gebied. Toen ik ooit op de kunstacademie zat heb ik de meest verschrikkelijke voorbeelden van dit soort werk moeten doorstaan. Vooral van recente animators waarvan één (toen ik er een keer een sprak) nog nooit had gehoord van Stan Brakhage en Oskar Fischinger. Ik weet alleen niet meer hoe ze heette.


Reageer op dit artikel