By any means necessary?
Spike Lee (2): de eerste helft van de jaren negentig

3 juni 2010 · · Kritiek

Deze week werd er geen Treme uitgezonden, en dus kan ik er weinig over schrijven. Daarom pak ik een andere serie artikelen op waar ik ooit aan begonnen was, maar die ik nooit heb afgemaakt. Vorig jaar schreef ik in november een bespreking van de eerste drie films van Spike Lee, met de bedoeling zijn hele oeuvre door te nemen. Daar heb ik vervolgens niets meer mee gedaan, ondanks de belofte dat het ‘een regelmatig terugkerende reeks’ zou worden. Nu volgt dan eindelijk het tweede deel. Het derde deel zal nog even op zich laten wachten, in ieder geval totdat Treme is afgelopen en ik mijn beloofde stuk over het beste werk van Dennis Hopper heb geplaatst.

De tijdsindeling waar ik destijds voor koos was deels geïnspireerd door Rik’s stuk over Lee. Dit deel van de reeks gaat dan ook precies over de films die Rik toen besprak, en ik zal ook hier en daar reageren op wat hij er over schreef. De vorige keer sloot ik af met Lee’s meesterwerk Do The Right Thing. Geen van de vijf films die hij van 1990 tot en met 1995 maakte haalt dat niveau, hoewel één daarvan wel enigszins in de buurt komt wat mij betreft, zijn biopic Malcolm X (1992).

Direct na Do The Right Thing maakte Lee in 1990 Mo’ Better Blues, een film die net als zijn eerdere School Daze tonaal alle kanten uitschiet. Een tegenvaller na Lee’s eerste meesterwerk en als op zichzelf staande film niet erg geslaagd. Wel komen de ingewikkelde relaties uit She’s Gotta Have It terug en de metafoor van een man die voor een vrouw met donkere en lichtere huid moet kiezen, het enige geslaagde aspect uit School Daze terug. Vaste cameraman Ernest Dickerson zorgt wel weer voor mooie beelden. Ondanks het wat zwakke materiaal over een artiest die zijn omgeving uit het oog verliest zijn Denzel Washington en Wesley Snipes zeer sterk in hun eerste echte hoofdrollen.

Snipes speelt ook de hoofdrol in Lee’s volgende film, Jungle Fever (1991) en als je deze films terugziet is het haast jammer dat Snipes zich ontwikkelde tot eenzijdige actiester, zoveel potentie laat hij hier zien. Opnieuw komt Lee terug op de betekenis van verschillende gradaties in het “zwart” zijn, afhankelijk van de tint van de huid, en met de relaties tussen Snipes en de blanke Sciorra gaat hij nog een stap verder. Zijn ideeën raken echter wederom ondergesneeuwd door de hoeveelheid ervan, een gebrek aan focus en duidelijke toon. De scènes met junkie Samuel L. Jackson lijken uit een andere film te komen. Een film die waarschijnlijk interessanter is, want deze scènes over verslaving in de ‘urban jungle’ zijn met afstand de sterkste van de film. Jackson steelt samen met Halle Berry de film en zijn rijzende ster is hier al duidelijk. Bram had hier in zijn recensie van de film in 2008 overigens een heel andere mening over, zoals je hier kunt lezen.

Malcolm X (1992) is niet alleen zijn meest ambitieuze film, maar ook een van zijn beste. Het is een traditionele biografische film met de tekortkomingen die het genre eigen zijn, maar wel een van de beste in zijn soort. Het is de laatste keer dat Ernest Dickerson achter de camera stond en hij levert een prachtige zwanenzang. Terenche Blanchard is inmiddels de vaste componist van Lee geworden en maakt zijn meesterwerk met een prachtige score die hij pas in het volgende decennium zou evenaren met zijn muziek voor The 25th Hour en When The Levees Broke. Denzel Washington is de titelrol op het lijf geschreven en hij slaagt erin de man in al zijn facetten te portretteren. Lee neemt geen standpunt in voor of tegen de omstreden religieuze leider, laat vooral Malcolm X zelf aan het woord en biedt de kijker ruimte voor een eigen oordeel daarover. Volgens sommigen duurt de film te lang, maar ik vind hem telkens weer fascinerend van begin tot eind.

Crooklyn (1994) is Lee’s minst uitdagende maar misschien wel plezierigste film. Het is een nostalgische blik op een familie in de jaren ’70 in Brooklyn, gebaseerd op Lee’s eigen jeugd en geschreven door hem, zijn broer en zus. De film baadt in warme kleuren en lichte jaren ’70 soul en het grootste probleem in de buurt is de buurman die zijn rommel niet opruimt. Ondanks dat vaste cameraman Ernest Dickerson na Malcolm X zelf besloot te gaan regisseren is ook deze film erg prettig om naar te kijken en bevat zelfs een sequentie waarin Lee experimenteert met de beeldverhouding om de gemoedstoestand van de hoofdpersoon weer te geven. Rik sprak er al lof over, en daar ben ik het mee eens.

Waar ik het niet mee eens ben is zijn opmerking over de stijl van Clockers (1995), die volgens Rik “Visueel gladjes, maar volstrekt inwisselbaar” is. Hoewel dit zeker voor sommige scènes opgaat, is vooral opvallend hoeveel verschillende visuele stijlen Lee in één film gebruikt. Elk scène lijkt weer met een ander idee gemaakt te zijn. Hoewel dit soms fascinerend is, leidt het ook erg af en is niet elke stijl even geslaagd. Dat de gladde, non-memorabele muziek elk moment domineert, soms tot op het punt dat de dialoog lastig te verstaan is, komt de film ook niet ten goede. Daarnaast komt deze voorloper op The Wire, gebaseerd op een boek van een van de latere schrijvers van die serie, inmiddels nogal gedateerd over. Behalve de begintitels waarin we geconfronteerd worden met de neergeschoten lijken van jonge zwarte mannen in de stad. Deze beelden van schotwonden hebben nog niets aan kracht ingeboet en zeggen meer over het inmiddels moeilijke leven in gedeeltes van de binnenstad van New York dan de morele dilemma’s die Lee zijn hoofdpersoon voorschotelt.

De volgende keer zal ik het over Lee’s films uit de tweede helft van de jaren ’90 hebben, waar ik er op het moment van schrijven nog weinig van gezien heb.


Onderwerpen:


Reageer op dit artikel