.
De onderhond, een decennium lang
Over vijf regisseurs die niet de aandacht kregen die ze verdienden
09-04-2010 | Bram Ruiter | Beschouwing
Regie: Adam McKay, Apichatpong Weerasethakul, Nanouk Leopold, Ti West, Uwe Boll

Al eerder weidde ik twee artikelen uit over het groeiende oeuvre van Eli Roth en dat de arme man meer erkenning zou moeten krijgen voor zijn werk. Alle drie de films en de dingen ertussen druipen van visie en zijn eigenzinnigheid. Echter werden de films van Roth wel met open armen ontvangen en haalden ze miljoenen binnen, terwijl er genoeg filmmakers rondlopen die geen van beide hebben gepresteerd in de afgelopen tien jaar. Niet dat ze het niet verdienen, verre van zelfs, ze maken vaak prachtige films, maar hun visie is zo eigenzinnig dat het door het grote publiek niet op prijs wordt gesteld.
Ik koos vijf filmmakers uit die in het vorige decennium hun debuut hebben gepresenteerd, maar volledig werden genegeerd of totaal verkeerd werden begrepen door het publiek.

Nanouk Leopold is geen Nederlandse regisseur, ze is een Europese. Ze vindt het filmklimaat van Nederland maar raar, want daar worden haar films al snel ‘klein’ genoemd. Die illusie wordt gewekt door haar minimalistische aanpak. Hoewel ze in îles Flottantes haar camera bewoog en keek in hoeverre ze muziek kon gebruiken zonder het emotioneel sturend te laten worden, streeft ze in zowel Guernsey als Wolfsbergen naar cineastische neutraliteit. Haar kaders bewegen niet meer, haar acteurs zeggen alleen het noodzakelijk – en daarom vaak ook helemaal niets – en zelfs de omgevingen zijn volledig ontdaan van hun opsmuk. Leopold lijkt te geloven dat alleen op deze manier haar verhalen over vervreemde personages het beste tot hun recht komen. Daarbij dragen die personages het verhaal, in plaats van andersom. Leopold stuurt niets, ze registreert slechts hun keuzes.
Als Nederlander ben je al snel een outsider als je niet, zoals de rest, Hollywood probeert te imiteren. Gelukkig wordt ze wel graag gezien op festivals in en buiten ons land en krijgt ze voldoende steun van producent Stienette Bosklopper om haar films toch gemaakt te krijgen. Maar het vermoeiende blijft dat het publiek er niet naar omkijkt. Zoals nu ook weer: haar nieuwste, zojuist afgeronde film Brownian Movement heeft alleen nog maar coverage gehad van vakgerelateerde websites, terwijl bekende nieuwssites haar niet lijken op te merken. En dat is om te betreuren, want hoewel het tempo lijnrecht tegenover dat van Transformers staat, zijn het films die er prachtig uitzien en me keer op keer diep weten te raken.
Mooiste Nanouk Leopold moment? Het openingsshot van Wolfsbergen. Minutenlang zien we een bos waar de zon af en aan doorheen schijnt, een prachtig symbool voor het leven en een mooie voorbode op de film zelf door zowel het tempo als het verloop aan te tonen.

Adam McKay maakt andere koek. Na een jaar gewerkt te hebben voor Saturday Night Life schreef hij samen met Will Ferrell een satire op het masculiene nieuwswereldje in de jaren zeventig en hoe een ambitieuze vrouw dat wereldje volledig op zijn, of beter gezegd, haar kop zet. In 2004 regisseerde hij de klassieke Anchorman: The Legend Of Ron Burgundy en hield zijn naam hoog met de prima te verteren Talladega Nights: The Ballad of Ricky Bobby en het hilarische Step Brothers, allen met Will Ferrell in de hoofdrol. McKay moet het hebben van zijn absurdistische dialogen en situaties, waarin volwassen mannen zich gedragen als kinderen. Uiteindelijk groeien ze op, maar verkiezen dan toch hun jeugdige innerlijk boven hun leeftijd. De manier waarop Ferrell zich volledig laat gaan is fascinerend en getuigd van een enorme vertrouwensband tussen regisseur en acteur. Maar niet alleen Ferrell, iedere acteur speelt met furore en levert zijn grappen met perfecte timing af. Het is dat hij Walk Hard niet heeft geregisseerd, maar je zou het kunnen zien als zijn vierde film.
Het betreurenswaardige is dat McKay weinig Europese faam heeft en zijn films vaak in hetzelfde rijtje worden geplaatst als Epic Movie en Meet the Spartans. Het is de desinteresse in vooral Europa die dit meteen aanneemt. “Het is komedie, dus die zetten we bij de rest van de komedies” Nogmaals nee, McKay behandelt keer op keer de aanhoudende fantasie van een jeugdige volwassene, zonder daar helemaal Disney over te gaan doen. En het is ook nog eens uitermate quotable.

Uwe Boll krijgt dan weer genoeg aandacht. Zijn werk ethiek staat gelijk aan dat van Takashi Miike, met als verschil dat als Boll voor de vijfde keer in een jaar een nieuwe film aankondigt, de halve filmwereld op zijn tenen is getrapt. Vroeger was dit het gevolg van het bronmateriaal dat hij gebruikt voor zijn films, zijn videogame adaptaties waren het beruchtst, maar in principe lacht men de arme man uit bij elke release die weer meteen op DVD verschijnt. Boll vind het vervelend dat mensen hem geen kans geven en hem met Ed Wood blijven vergelijken. Deze frustraties uiten zich in vorm van tirades (Michael Bay en George Clooney zijn absoluut geen favorieten van de Duitse regisseur) en bokswedstrijden (hij daagde filmcritica uit voor een toernooi), maar is ook zelfreflectief genoeg om een Nazistische parodie van zichzelf te spelen in Postal (een film die overigens erg overeenkomt met Southland Tales).
Waar ik niet met mijn hoofd bij kan is de manier waarop hij elke keer weer volledig wordt onderuit gehaald door de boze menigte. Die afschuw is onnodig, er zijn genoeg filmmakers die het nog veel slechter doen en daar geen erkenning voor krijgen. Het interessante van Boll is dat er een progressie in zijn werk ontstaat. House of the Dead is een favoriet van me, juist omdat hij zo genadeloos dom is, maar hoe verder we zijn oeuvre induiken, des te meer vooruitgang er is te zien. Zo maakt hij in Far Cry keuzes waar hij in BloodRayne nog niet eens aan gedacht zou hebben. En wat is er mooier dan een coming-of-age-verhaal verhuld in iemands oeuvre?
Boll heeft geen filmstudie gedaan, hij werd zelfs afgewezen door de filmacademie en besloot literatuur te studeren. Zijn attitude bracht hem vervolgens zijn eerste regieklus, waarna hij films bleef maken. Hij heeft nooit de noodzakelijk aspecten van het film maken geleerd, en juist dat hij gaandeweg leert van zijn fouten maakt hem tot een van de meest boeiende filmmakers van het afgelopen decennium.

Apichatpong Weerasethakul is de afgelopen twee jaar flink gegroeid in zijn aanzien wat met name komt door de filmfestivals. De Thaise regisseur heeft sinds 2000 vijf films gemaakt, maar schuwt er niet voor om ook allerhande korte producties en installaties af te leveren bij musea. Toch hebben nog erg weinig filmliefhebbers zijn naam uit hun hoofd geleerd of de moeite genomen een van zijn trage films te bekijken.
Weerasethakul hanteert hetzelfde puristische uiterlijk als Nanouk Leopold – Ook zijn beelden staan stil op plekken die volledig zijn gestript van alle poespas, en ook hij observeert zijn karakters zonder ze echt te sturen. Echter gaat Weerasethakul voorbij Leopold in dit observeren. In zijn films staan er geen personages of verhalen centraal, maar zijn de protagonisten voornamelijk de thema’s binnen de film. Dualiteit is een van de voornaamste. Zijn laatste twee films hebben zelfs een sterke scheidslijn tussen de dualiteit, waar halverwege de film zo maar een volledig andere plek wordt betreden en al het voorgaande vergeten wordt. Veel films zouden dan overvol dreigen te worden, maar door de meditatieve rust in Weerasethakuls shots wordt je als kijker alleen maar meegesleurd in zijn beelden en geluid. Het woord meditatief, naast dualiteit, vat misschien wel het beste zijn oeuvre samen. Zo wordt bijvoorbeeld de stadsomgeving in Blissfully Yours ingeruild voor de rustige natuur, waarna shots toenemen in lengte en er in het kader steeds minder gebeurt. De film komt letterlijk tot stilstand. In Tropical Malady focust Weerasethakul eerst op de homoseksuele relatie tussen twee jongens, waarna ze allebei in de tweede helft van de film een Thaise mythe naspelen over een jager en een tijger. In Syndromes of a Century (enige tijd geleden wat negeatief besproken door Rik) veranderd het verleden in de toekomst.
Zijn werk is voornamelijk beeldend, maar ook zijn rebelse vrijheid is een van de meest positieve aspecten. Hij heeft een soort regelloze bubbel voor zichzelf gecreëerd, van waaruit hij commentaar geeft op de Thaise regering (zijn films worden altijd in de weg gezeten door censuur, terwijl er weinig aanstootgevends gebeurt) en op de rest van de vastgeroeste filmwereld. Het is fascinerend werk en het mooiste is dat je er keer op keer naar kan kijken, en elke keer weer iets nieuws kan ontdekken.

Ti West maakt horrorfilms. En net zoals Eli Roth maakt hij horrorfilms die hij het liefst wil zien. In tegenstelling tot Roth maakt hij geen grafische horror, maar baseerde hij zijn drie uitgebrachte films rondom de regel: ‘That what you don’t see and do not know about is the most horrifying of all’. Doormiddel van geluiden en suggestie creëert hij een constant unheimisch gevoel, om dan af en toe los te barsten in korte ‘bursts of violence’.
Zijn debuut, The Roost, is op papier een typische slasher: Viertal jongeren komen stil te staan met hun auto op een verlaten weg en stuiten tijdens hun zoektocht naar hulp op een stel woeste vleermuizen die mensen veranderen in zombies. Echter is West meer geïnteresseerd in menselijkheid en kiest ervoor zijn acteurs geen stereotiepe poppen te laten worden, maar echte mensen van vlees en bloed waar je als kijker meteen om geeft.
Trigger Man, zijn tweede films, is dan weer een horror die zich volledig overdag afspeelt, terwijl een groep jongeren tijdens het jagen plotseling zelf het prooi wordt van een onzichtbare schutter. Zijn vorig jaar uitgekomen The House Of The Devil is echter het beste dat hij tot nu toe heeft afgeleverd. Het verhaal van een babysitter die in het huis van twee enge oude mensen op een kind dat niet bestaat moet passen levert genoeg angst om ons negentig procent van de tijd alleen maar in spanning te laten zitten. Het meisje, dat gelukkig niet wordt afgeschilderd als sekssymbool, danst door het huis op jaren tachtig pop, kijkt TV en besteld een pizza. Het zijn doodnormale handelingen die door Wests suspensevolle kadrering constant spannend blijven. Daarbij werkt hij sporadisch met muziek, maar lijkt hij het leuker te vinden om het gekraak van het huis volledig in tact te houden.
Zijn vervolg op Cabin Fever liet nogal wat te wensen over, maar dat bleek niet helemaal zijn schuld te zijn. West kampte sinds 2007 al met veel problemen rondom deze productie, totdat de producenten de overmacht namen, scènes herschoten en de hele film buiten de oorspronkelijke regisseur om monteerden. Wat overblijft zijn slechts flitsen van Wests visie binnen een film die plezierig is om te bekijken, maar nergens de hoogte bereikt die het ooit wel eens had bereikt.
En nu?
Zoals gezegd werkt Nanouk Leopold momenteel haar Brownian Movement af en zal vermoedelijk voor het eerst op Cannes worden vertoond. Voor Nederland gok ik op een NFF première. Wat ik ervan heb meegekregen als productie assistent wordt het een onwijs goede film. Het script ademt originaliteit en het schijnt dat Leopold dit keer haar neutraliteit wat meer opzij legt voor wat losse pols camerawerk. Ik ben zeer benieuwd hoe dit gaat uitpakken.
Ondertussen heeft Adam McKay net The Other Guys afgerond, waarin een politie duo (gespeeld door Will Ferrell en Mark Wahlberg) zijn kans schoon ziet om net als het beste politie duo van de stad een doorbraak te krijgen. Het is een concept waarin McKay waarschijnlijk weer veel inspiratie vrijheid voor zijn acteurs heeft gecreëerd, met als enige kanttekening dat ik niet precies weet hoe Wahlberg daarin gaat presteren.
Uwe Boll heeft daarentegen eindelijk het punt bereikt waarop hij daadwerkelijk een kwalitatief goede film heeft afgeleverd. Tenminste, zo beweert het publiek van Rampage, Bolls variant om Falling Down. Echter lijkt hij zoals altijd niet stil te staan bij wat er van hem wordt gezegd en zet hij alles op alles om te blijven filmmaken. Op de stapel liggen onder ander oorlogsdrama Darfur en films met titels als Final Storm, Zombie Massacre en Blackout – The Film.
En dan zijn Apichatpong Weerasethakul en Ti West midden in hun nieuwe producties beland. De eerstgenoemde werkt momenteel een film uit over Uncle Boonmee (naar zijn gelijknamige kortfilm), een man die zijn vorige levens kan herinneren, terwijl Ti West een horror maakt over een tweetal dat een behekst hotel up en running proberen te houden.

Forum
Op 09-04-10 om 20:48 #
“Het woord meditatief, naast dualiteit, vat misschien wel het beste zijn oeuvre samen.” O gruwel, ik weet genoeg…
Ik vind het trouwens onbestaanbaar dat je iemand louter omdat hij (ver onder de geaccepteerde grens) ontwikkeling toont één van de meest boeiende regisseurs van afgelopen decennium vindt. En onkunde kan interessant zijn, maar volgens mij alleen als iemand daardoor een bepaalde onorthodoxe aanpak hanteert, maar voor zover ik daar op basis van 1 film kan oordelen is daar bij Boll geen sprake van. Of wel?
“(…)er zijn genoeg filmmakers die het nog veel slechter doen en daar geen erkenning voor krijgen.” Terecht toch? En terecht toch ook dat regisseurs van wanproducten onderuit gehaald worden? Wat is het waar je met je hoofd niet bij kunt?
En Boll en Weerasethakul hebben naar mijn smaak toch echt meer dan genoeg aandacht gekregen vanuit de hoeken waarin ze opereren.
Op 10-04-10 om 00:08 #
I’ll second Leopold. Eigenzinnig, zelfverzekerd. Minder excentriek: Mijke de Jong. Zusje van Katja en Tussenstand vond ik beide meer dan alleraardigst. Nemen we Kan door huid heen van Rots erbij en dan denk ik: drie vrouwelijke cineasten met dit gezamelijke oeuvre, als ze alledrie uit Thailand waren gekomen was het een internationale festival-hype.
Op 10-04-10 om 00:44 #
Och ja, de tragedie van het Nederlands zijn. Kan Door Huid Heen was inderdaad goed en over Mijke de Jong hoor ik niets dan lof. Mooie samenvatting van Leopold, overigens: zelfverzekerd. Dat straalt ze inderdaad behoorlijk uit met haar films.
@Rik: Het is misschien een vreemde relatie, die tussen mij het het oeuvre van Boll. Er is inderdaad geen onorthodoxe wijze van idioot doen, eerder gewoon onkunde. Alleen in House of the Dead was er sprake van een haast avant-gardistische stupiditeit. Toch, nadat ik enorm veel plezier had beleeft aan Alone in the Dark besloot ik samen met een vriend van me alles van de beste man te bekijken. En sinds kort heb ik die progressie ontdekt wat het werk nog leuker maakt om te kijken.
Ja, het is troep. Wat me stoort is die aanhoudende haat voor Boll. Alles wat Boll doet wordt gezien als een Boll-film en heeft geen kans van overleven. Vaak klopt die voorspelling ook wel, maar ik snap niet dat mensen hier niet stiekem heel veel plezier aan beleven. Dat is een beetje waar het op neer komt. Die haat vind ik gewoon onnodig. Je hebt ook zeker gelijk met je vraagstukken. Natuurlijk mag Boll worden onderuit gehaald, ik doe dat zelf immers ook. Niettemin blijf ik kijken en heb ik wel degelijk plezier aan zijn films. Het is alsof ik hem steeds meer begrijp d.m.v. zijn oeuvre. Ik bewonder daarbij zijn doorzettingsvermogen en de manier waarop hij zichzelf ook absoluut niet serieus neemt.
Het is laat.
Op 20-04-10 om 10:24 #
Het is toch niet zo vreemd dat er aanhoudende haat is tegenover Boll. Hij maakt gewoon flutfilms, dat doen wel meer mensen, maar volgens mij zijn er maar weinig zo geil op aandacht als hij. Dat je er dan flink van langs krijgt is niet zo gek. Dat zijn films gezien worden als Boll-films is ook niet zo vreemd, hij is tenslotte een “Auteur”. :’) En wat is “Avant-gardistische stupiditeit” ?