Game over, Spike, game over?
Spike Lee (4): de jaren 2000

12 augustus 2010 · · Kritiek

In 1996 begon Spike Lee met Get On The Bus aan een fantastische reeks films, in de vorm van He Got Game (1998) en Summer of Sam (1999), titels die ik de vorige keer heb besproken. In het begin van het nieuwe decennium zet Lee de goede reeks voort met nog twee films, maar sindsdien heeft hij geen goede speelfilm meer weten te maken. In de tweede helft van het afgelopen decennium was een documentaire over de gevolgen van Katrina zijn sterkste wapenfeit. Deze zal echter pas aan bod komen in mijn laatste stuk over het oeuvre van Spike Lee, over zijn documentaires door de jaren heen.

Bamboozled (2000) is Lee's gewaagdste film en had misschien wel zijn meest controversiële titel kunnen zijn – als meer mensen de film tenminste gezien hadden. Het is een genadeloze satire van hoe Afro-Amerikanen in de twintigste eeuw zijn weergegeven in de media door zowel blank als zwart, zo genadeloos dat er nauwelijks wat te lachen valt. Damon Wayans speelt een bizarre, geaffecteerde rol als Pierre Delacroix: bekakte Afro-Amerikaan met een licht Frans accent. Maar eigenlijk komt hij gewoon uit Brooklyn en heette vroeger Peerless Dothan. Pierre bedenkt een televisieprogramma dat zo racistisch is dat zijn bazen wel moeten schrikken van hem. Tot zijn horror slaat de show, een ouderwetse Amerikaanse minstreelshow waarbij in blackface ouderwetse negatieve zwarte stereotypes worden neergezet, aan bij zowel het televisienetwerk als het grote publiek.

Iedereen draagt wel bij aan dit ‘bamboozelen’ van de Afro-Amerikaan (het wegzetten van de Afro-Amerikaan als tweederangs burger door hem tot stereotype te reduceren). Natuurlijk is er de blanke baas, die naar eigen zeggen meer zwart is dan Delacroix, en volgens de stereotypes valt hier iets voor te zeggen. Immers, hij klinkt als een Afro-Amerikaan uit de ghetto, terwijl Delacroix ontzettend ‘blank’ klinkt, maar er zijn veel zwarten die er aan meedoen – van het accepterende publiek tot de ‘minstrelen’ zelf – zwarte zwervers die voor een vast inkomen bereid zijn elk avond zich te schminken naar het beeld dat blanke racisten lang van hen hadden. Dan zijn er nog de zelfingenomen protesteerders, een revolutionaire rapgroep die op een gegeven moment niet verder komt dan een minuut lang “Unowhumsayin'” tegen elkaar te zeggen. Voor ons Nederlanders lijkt het onderwerp overigens misschien ver weg, maar gezien het jaarlijkse debat rondom Sinterklaas is dat allesbehalve het geval.

Had Lee zijn confronterende film is een dramatisch bevredigender verhaal kunnen gieten, dan was het een meesterwerk geweest. Nu schiet de film op dat vlak tekort. Lee schoot de film met goedkope mini-DV camera's, wat in 2000 naast een rauwe sfeer ook de connotatie van goedkope televisie oproept – een zeer bewuste keuze van Lee. Mooi ziet het er niet uit, maar het past wel bij de film. Helaas voor Lee en zijn boodschap flopte de film financieel volledig en liet Lee voor zijn volgende film de rassenkwestie los, wat hem dan juist weer een flink succes opleverde.

25th Hour (2002) is de laatste rolprent in Lee's succesreeks. Het is een van de weinigen waarin hij zijn focus niet verliest, de bijrollen en plotlijnen precies gedoseerd zijn en alles mooi samenkomt. Opnieuw weet hij sympathie te creëren voor een drugsdealer in de hoofdrol, net als in Clockers. Die film ging echter ook enorm over het milieu om hem heen en hoe dat hem gevormd heeft. Monty, het hoofdpersonage van 25th Hour is veel minder het product van zijn omgeving, getuige zijn twee jeugdvrienden die leraar en aandelenhandelaar zijn geworden.

In 25th Hour zien we de laatste 24 uur van Monty's leven voordat hij zeven jaar de bak indraait. Op de achtergrond speelt de vraag wie hem aan de politie verraden heeft (gepersonificeerd door Isiah Whitlock, jr., beter bekend als Clay Davis in The Wire – die ook hier zijn catchphrase van de tong laat rollen), maar daar draait deze film niet om. Het gaat Lee vooral om hoe Monty deze laatste dag vrijheid beleeft en hoe hij omgaat met kwesties als schuld en boete, terwijl zijn vrienden en vader op verschillende manieren met dezelfde kwesties omgaan. Het beste komt dit naar voren in een fantastische scène waarin Monty al zijn frustraties, vooroordelen en schuld uit, om uiteindelijk de schuld bij zichzelf te zoeken. Deze zogenaamde “fuck you” speech is misschien wel de beste en beroemdste scène uit Lee's oeuvre, waarbij ontwikkeling en uitdieping van het personage, acteren, cinematografie, muziek en montage prachtig in samenkomen.

She Hate Me (2004) is daarentegen gelijk Lee's slechtste film. Een allegaartje van genres en verhaallijnen die opgezet worden en daarna weer vergeten omdat de volgende zich al aandient. Lee heeft allerlei ideeën die in zekere zin wel interessant zijn of dat tenminste zouden kunnen zijn als ze goed uitgewerkt werden, maar het zijn er veel teveel voor één film en hij doet er weinig mee. Uiteindelijk is een absurde, stuurloze film het gevolg die nooit richting of focus krijgt, intrigerend wordt of leuk om naar te kijken is. En hiermee is het hek van de dam.

Inside Man (2006) heeft wel een focus en verhaal, maar op de mooie openingsscène na wil deze doorsnee thriller over een bankoverval nooit echt boeien. Er zit geen spanning in, mede door de vreemd rustige en contemplatieve muziek, Denzel Washington die zijn personage té relaxt speelt, de ondervragingen achteraf die tussen de overval door zijn gemonteerd en het saaie subplot rondom Jodie Foster. Aan het eind wordt alles uitgelegd, maar dan is het raadsel allang niet meer interessant. Het talent van o.a. Chiwetel Ejiofor en Willem Dafoe wordt volledig verspilt. Wel is het geinig voor de The Wire fans onder ons om James Ransone even te zien.

Ook in Miracle at St. Anna (2008) komt even een Wire-acteur voorbij. Niemand minder dan Michael K. “Omar” Williams doet dienst als bange soldaat. De film is bedoeld als ode aan de Afro-Amerikaanse soldaten die meevochten in de Tweede Wereldoorlog, maar na een suïcidale aanval waarbij velen als kanonnenvoer dienen doen de overlevende soldaten eigenlijk niet meer doen dan wachten in een Italiaans dorpje tot ze gered worden. Waarbij er eentje (en ongeloofwaardig achterlijk en ontzettend dikke man) wel het leven van een jongetje red, waarna de anderen zich laven aan het Italiaanse vrouwvolk. Dan wordt de film opeens overgenomen door een subplot rondom Italiaanse partizanen, wat weinig toevoegt aan de op dat moment al saaie film.

Het zogenaamde mirakel uit de titel is een afslachting van vrouwen, kinderen en oude mannen door Nazi's. Het wonder moet waarschijnlijk zijn dat één jochie het overleeft, maar dat doet hij dankzij een ongehoorzame Nazi met een hart. Dus waarom Spike Lee daar zijn ode aan Afro-Amerikaanse soldaten naar heeft vernoemd blijft voor mij een raadsel. Net zoals het feit dat dit allemaal 160 minuten lang moet duren, inclusief een raamvertelling die ook al niets toevoegt. De film is de derde mislukking van Lee op rij. Stuk voor stuk gaat hij de mist in met teveel verhaallijnen die te weinig worden uitgewerkt. Hetzelfde geld voor zijn personages. Zou het zo zijn dat hij geen goede speelfilm meer kan maken? Gelukkig kan hij nog wel goede documentaires maken, maar daar volgende keer meer over.

zp8497586rq

Onderwerpen:


Reageer op dit artikel