Het oeuvre van Martin Scorsese (3/4)
Het betere werk

Vorige week werd de nieuwste film van Martin Marcantonio Luciano Scorsese , Shutter Island, in Nederland uitgebracht. Zijn 35ste alweer, als je al zijn werk meerekent. Voor mij aanleiding om eens een blik terug te werpen op zijn omvangrijke oeuvre in een serie artikelen. In de komende weken rangschik ik al zijn werk, van zijn minste naar zijn beste films, in brede categorieën opgedeeld. Desalniettemin geldt: hoe lager in het artikel, hoe meer ik de film waardeer. Ik zal de reeks afsluiten met een recensie van Shutter Island, inclusief een overweging waar deze in de rangschikking moet staan naar mijn smaak. Twee weken terug trapte ik af met het mindere werk van de meester, daarna volgde het goede werk. Deze week bespreek ik:

De betere films van Martin Scorsese
Daarmee bedoel ik die films van hem, die ik ontzettend goed vond, soms zelfs fantastisch, maar net niet dat beetje extra hebben om in de hoogste categorie geplaatst te worden, die van zijn absolute meesterwerken. De films aan het einde van dit artikel komen wel erg dichtbij. De rest is “gewoon” heel erg goed. Voor menig ander regisseur zou dit het maximaal haalbare zijn.

No Direction Home: Bob Dylan (2005) is een poging van Scorsese om inzicht te geven in de ongrijpbare Bob Dylan door middel van een documentaire over de eerste fase en de omslag naar de tweede fase van diens muzikale carrière. Dylan zelf is zeldzaam open in een interview dat als commentaar door de archiefbeelden en de interviews met vele betrokkenen uit de vroege jaren ’60 is gemonteerd. Scorsese schets in drieënhalf uur een diep, sympathiek en scherp portret van de artiest, maar laat hem uiteindelijk toch gehuld in mysterie, waar Dylan thuishoort. Met veel mooie muziek uiteraard, waaronder nummers die nog nooit eerder zijn uitgebracht. Toen de film voor het eerst op TV werd uitgezonden, was ik echter wel licht teleurgesteld. Van te voren was er onder liefhebbers een kleine hype rondom het feit dat de film nog nooit eerder vertoonde beelden van het legendarische “Judas concert” zou bevatten. Vlak voor het laatste nummer van een concert in 1966 in Engeland maakt iemand uit het publiek Dylan voor Judas uit. Dylan reageert hierop door een extra snerpende versie van “Like A Rolling Stone” ten gehore te brengen (zijn instructie aan de band: “Play it fucking loud”). De grote sof is helaas dat na het begin van het nummer de aftiteling over de beelden wordt ingezet en we het verder met de audio moeten doen. Gezien wat we van te voren allemaal zijn te weten gekomen over de lading van deze tour, waar dit een van de hoogte- én dieptepunten van is, waren beelden van het volledige nummer een mooie afsluiting geweest. Een gemiste kans. Verder valt er niets op de film aan te merken.

Feel Like Going Home (2003) is een door Scorsese geregisseerde documentaire die onderdeel uitmaakt van de Blues docureeks die hij ook produceerde. In de eerste film van deze serie legt Scorsese het verband tussen de Amerikaanse blues en verscheidene muziekvormen en verteltradities uit Afrika. Eerst geeft de regisseur een beeld van de Delta Blues, de oorspronkelijke vorm in Amerika, en vervolgens laat hij een artiest die daar nu nog een ambassadeur van is naar Afrika reizen om daar op zoek naar de wortels van de muziek te gaan. Niet alleen boordevol heerlijke muziek, maar dankzij de figuren die de revue passeren ook nog eens zo nu en dan ontroerend. Voor een bluesliefhebber als ik tenminste.

The Departed (2006) is een remake van de Hong Kong thriller Infernal Affairs. Vaak zijn dit soort Amerikaanse uitvoeringen van recente Aziatische films inferieur aan het origineel, maar laat het aan Scorsese om een superieure film van het bronmateriaal te maken. Hij snijdt grotendeels andere thema’s aan dan zijn Aziatische voorganger, en werkt het compacte oorspronkelijke verhaal uit tot een veel langer en veelzijdige film die specifiek over het moderne Amerika van 2006 gaat, een wereld van paranoia, angst en verraad. Niet alleen heeft de film een geheel eigen identiteit, daarnaast is hij ook nog spectaculair en een stuk spannender dan het origineel. Gezien de concurrentie won Marty vervolgens terecht eindelijk een Oscar voor deze film.

Bringing Out The Dead (1999) is een vaak onderschatte film uit Scorsese’s oeuvre. De film wordt wel eens vergeleken met Taxi Driver in een ambulance, en hoewel er enige parallellen te trekken zijn als je dat wilt is het een flauwe vergelijking. Bringing Out The Dead verdient om op zijn eigen merites bekeken en beoordeeld te worden. Want de film is alles behalve een herhaling van zetten voor Scorsese die van nachtelijk New York een lange nachtmerrieachtige trip maakt voor slapeloze ambulancebestuurder Frank – een van de beste rollen van Nicholas Cage, en als die de geest heeft is hij een van de betere Amerikaanse acteurs van zijn generatie. Ondanks de droomachtige structuur en sfeer komt het portret van de New Yorkse straten toch realistisch over. Knap.

The King of Comedy (1983) is soms heel grappig, maar toch niet echt een komedie. Het is voornamelijk een film over een komediant – eentje die niet zo goed is om precies te zijn. Rupert Pupkin is de vijfde rol van Robert De Niro voor Scorsese, en wederom een geweldige. Pupkin wil de koning van de lach worden, maar is eigenlijk helemaal niet zo grappig. Door zijn gefrustreerde ambitie is hij een boze, eenzame outsider geworden, zoals de meeste hoofdpersonages van Scorsese (zie ook de protagonisten in de twee films hierboven), die gebukt gaat onder zijn obsessie met roem en erkenning. Het is de obsessie met en aanbidding van een beroemdheid die de film echter ver vooruit zijn tijd maakte en nog steeds actueel.

The Aviator (2004) is in mijn ogen qua zowel vorm als inhoud de beste film die Scorsese het afgelopen decennium maakte. Het is een fascinerende duik in een deel van het leven van Howard Hughes, een van de vreemdste beroemdheden van de vorige eeuw, die op een geweldige manier is vormgegeven en gefilmd. Meteen in het oog springend is het kleurenschema dat met de tijd mee verandert. De jaren ’20 en ’30 worden in twee kleuren gepresenteerd, zoals de eerste kleurenfilms er ook ongeveer uitzagen, daarna komt er een kleur bij en ergens in de jaren ’50 krijgen we een veel voller kleurenschema dat correspondeert met hoe de filmtechnologie zich toen ontwikkelde. De manische energie van Scorsese, bijna altijd merkbaar in de montage en het camerawerk, stuwt ondertussen het hoge tempo drie uur lang voort. Scorsese kiest er wijs voor om zich te richten op de gloriejaren van Hughes, van Hollywood playboy tot vliegtuigbouwer, te richten, maar weeft daartussen een uitgekiend portret van iemand die steeds dichter bij zijn eigen psychologische afgrond geraakt. DiCaprio speelt zijn eerste echte prachtrol en maakt zich hier de fronsende wenkbrauw in allerlei variaties meester (zie: elke rol die hij sindsdien speelt). In het artikel hieronder beweert Rik voor de tweede maal dat de glamour uit Hollywood is verdwenen in het afgelopen decennium. Ik raad hem aan deze film nog eens te kijken, want naast de psychologische aftakeling en de obsessies van Hughes bevat de film ook enerverende actiescènes, weelderige Hollywoodfeestjes en aankleding/vormgeving om van te smullen die van The Aviator zowel een intrigerende duik in de psyche van de protagonist maken als prima escapisme maken.

After Hours (1985) is een kleine film die Scorsese maakte om de demonen van een duistere periode van zich af te schudden. Het is niet voor niets zijn grappigste. Een van de weinige keren dat zijn hoofdpersoon een ‘gewone jongen’ zonder obsessies of innerlijke frustaties. Die komen wel van de buitenkant, in de vorm van een soort Wonderland (die waar Alice haar Adventures in heeft) in New York. Gedurende een nacht maakt de jongen het ene na het andere bizarre avontuur mee, zonder dat er enige logische verklaring voor is. Het is de eerste film waarin Scorsese samenwerkt met cinematograaf Michael Ballhaus, die sindsdien bijna al zijn films schoot en waarschijnlijk ook een deel van de lof verdient voor de Scorsese camerabewegingen die vanaf deze film zo typerend voor zijn oeuvre zijn. Een heerlijk tussendoortje zoals hij ze eigenlijk daarna niet echt meer heeft gemaakt.


Onderwerpen:


5 Reacties

  1. Erwan

    Ben het met vrijwel alles eens, ik vond alleen “The Departed” een kleine tegenvaller alhoewel het op zichzelf nog steeds een prima film is en bij iedere andere regisseur zelfs een topprestatie. Mooi dat je “Bringing Out the Dead” zo waardeert, vind ik echt een geweldige film met inderdaad een uitstekende Cage.

    Ik ben erg benieuwd naar je bevindingen omtrent de meesterwerken, want ondanks dat ik al weet welke dat zullen zijn (en ik ben het met al die keuzes ook eens) is het toch interessant om te zien waarom je die films zo ijzersterk vindt en wat de volgorde zal worden.

  2. Bram Ruiter

    Hé, kijk, het is Wes Craven!

  3. Pascal

    Ik vind persoonlijk “The King of Comedy” bij zijn beste werken horen. Anyway leuke stukjes, jammer dat je niet bij elke film wat uitgebreider verteld waarom jij ze in bij de betere films vind horen.

  4. Rik Niks

    Over Aviator: die film heb ik niet mee kunnen nemen in mijn overwegingen, aangezien ik die zelfs nog een 1e keer moet zien. Ik schat idd in dat ‘ie me op dat vlak wel zal liggen. (Hoewel het geen toeval is dat het een historisch drama is, spelend in de hoogtijdagen van de glamour).

  5. Sandro

    Mooie lijst weer. King of Comedy en After Hours waren bij mij wel in het volgend artikel gekomen. Goed ook om te horen dat je The Departed beter vond dan Infernal Affairs, ik vind die zowel thematisch als qua karakterstudie zo veel beter.


Reageer op dit artikel