Pre-Debuut Godard
Wat maakte Jean-Luc Godard voor À Bout de Souffle?
23-05-2010 | Bram Ruiter | Beschouwing
Regie: Jean-Luc Godard

Eens in de zoveel tijd maakt Jean-Luc Godard een nieuwe film, eentje die daarna weer snel wordt ingeruild voor zijn gedoodverfde Nouvelle Vague periode tussen 1960 en het einde van de film. Weinig filmliefhebbers (waaronder ikzelf) houden zich bezig met het post-Week End werk waarin de regisseur zich te buiten gaat aan onmogelijke narratieven, complexe monologen en politieke agenda’s, het visuele geëxperimenteer met video daar nog buiten gelaten. Hoewel de buzz rondom Film Socialisme ander geluid geeft – afgezien de hierboven beschreven aspecten van Godards latere werk – moet ik toegeven dat het soms wel prettiger is terug te keren naar de criticus en zijn infantiele spielerei van de begin jaren ’60. Maar waar zijn roemruchte Nouvelle Vague oeuvre al onnoemelijk vaak is uitgediept door veel betere schrijvers dan ik, is het misschien des te interessanter om te kijken naar de kortfilms die hij voor zijn debuut maakte.
Het verhaal gaat dat Godard het een beetje zat was van alleen met woorden de stervende cinema te kunnen bestrijden en besloot zelf de camera in handen te nemen. Zoals elke verstandige aspirant filmmaker besloot hij zich eerst toe te leggen op de korte film. In 1954 maakte hij het in obscuriteit geraakte Opération ‘Béton’. De 16 minuten durende film werd gemaakt op kosten van het bouwbedrijf waar Godard destijds voor werkte. Hij documenteert de bouw van een weg, van steengroeve waar de stenen vandaan komen tot het architectonische hoogstandje in Zwitserland. Het zien van enkele Godardistische motieven komt voort uit de drang iets te zien, niettemin vielen me toch wel enkele goed doordachte momenten op. De typografie aan het begin van de film is meteen tekenend voor het beeld dat we van de regisseur hebben, evenals een langdurige sequentie waarin een bak met takels op en neer wordt gehaald waar vervolgens stenen uit vallen die de stratenmakers dan kunnen uitspreiden over de weg. Het is een bijzonder stukje: muziek valt weg, een radio stem geeft onverstaanbare instructies (want geen ondertiteling) en ritmevol zakt en vliegt de bak weer omhoog. Buiten dat is het een ongelofelijk droog stukje bedrijfsfilm.
Hoewel dit natuurlijk weinig zegt over zijn toekomst had Godard altijd al wel interesse in documentaire. Destijds omschreef hij À Bout de Souffle als een documentaire over Jean Seberg en Jean-Paul Belmondo en esthetisch gezien hebben al zijn films wel iets weg van documentaires. In de jaren ’60 zou hij contact krijgen met documentarist D.A. Pennebaker die voor hem een soort making of van La Chinoise (1968) maakte, om daarna in 1972 met z’n tweeën 1 P.M. te maken. Na Week End zouden al zijn films steeds meer een hybride worden van documentaire en fictie.
Zijn tweede, voor zover bekende, experiment luistert naar de naam Une femme coquette, een tien minuten durende comedy dat werd gebaseerd op een verhaal van Guy de Maupassant (een schrijver op wiens werk hij later ook Masculin féminin: 15 faits précis (1966) zou baseren). In tegenstelling tot de andere drie is van Une femme coquette nooit meer wat vernomen. Veel meer dan dit kan ik er niet over zeggen.
Opvallend is het bouwjaar van de twee films die Godard daarna maakte. Volgens Criterion werd Charlotte et Véronique, ou Tous les garçons s’appellent Patrick in 1957 gemaakt, terwijl IMDb spreekt over 1959. Hetzelfde geldt voor Charlotte et son Jules: volgens Criterion uitgebracht in 1959, maar volgens IMDb 1960, slechts enkele dagen voor À Bout de Souffle het levenslicht zag.
Inhoudelijk zijn beide kortfilms erg verwant aan elkaar. De blonde en kortharige Anne Collette speelt het typische Godard meisje Charlotte: onschuldig, lieflijk, maar wel onafhankelijk en in haar eigen wereldje. Ze woont samen met Véronique (Nicole Berger) in een appartement te midden van Parijs. In Charlotte et Véronique, ou Tous les garçons s’appellent Patrick vertoond Godard vijf scènes waarin dialoog de drijfveer is. Scène 1 introduceert de karakters; scene 2 en 3 verhalen over Patrick, de jongen die beide meisjes verleidt tot een date; scene 4 toont de dames terug in hun appartement waarin zij aan elkaar vertellen dat ze tot over hun oren verliefd zijn op een jongen; en scene 5 laat hen tegelijkertijd Patrick tegenkomen terwijl hij een ander meisje aan het verleiden is. Het is een leuke grap die Godard speels weet neer te zetten. Bijna alles wordt uit de hand geschoten en esthetisch klinkt en kijkt het als een slapstick comedy uit de jaren ’20. Het is Godard die een aanloop neemt naar de films die bol zullen staan van popculture references. Zelfs zijn liefde voor typografie, ditmaal handgeschreven door hemzelf, is iets dat aanduid wat hij later zal gaan doen.
In Charlotte et son Jules komt Charlotte uit de vorige film de kamer van haar ex-vriend Jules (Jean-Paul Belmondo) binnen met een tot aan het einde van de film onbekend doel. Jules blijft doorratelen en tussen emoties springen tot hij haar eindelijk de kans geeft iets te zeggen, waarna het blijkt dat ze slechts voor haar tandenborstel kwam. Godard dubde Belmondo’s monoloog om onverklaarbare wijze, iets dat een vervreemdend effect geeft. Zeker omdat de dub eigenlijk best wel slecht is. De enkele keren dat Belmondo in beeld wordt gebracht lopen zijn lippen niet samen met de woorden van zijn regisseur. Het sporadisch in beeld brengen van de grootste geluidsbron is overduidelijk Godards drang om te experimenteren. Zijn montage is constant in beweging en haast constant gefocust op Charlotte, die als een klein kind zit te spelen en te zingen terwijl ze niet luistert. Het typische Godardmeisje.
Hoewel zijn eerste features ook zeker een speelse weergave zijn van de jongeren in Parijs, hebben die films ook zeker een diepere laag waarin Godard zowel experimenteert met narratief als techniek. Het zijn odes aan Noirs of Lubitsch Musicals, vol kleur en contrast, en zelden straight forward. Het gemis in de twee kortfilms komt uit dit gegeven: ze zijn beide op en top Godard, maar wel nogal oppervlakkig en gebaseerd op slechts een flauw grapje. En dat voelde raar, die altijd nukkige kritiekgever zo ongestoord vrolijk te zien doen. Het was alsof hij binnen twee films vloekte met zijn hele bestaan. Zeker, de films zitten vol experimenten en zijn ook bedoelt als aanloop naar À Bout de Souffle, maar het contrast tussen beide kortfilms en zijn debuut is zo enorm dat het opvallend is dat hij binnen no-time was waar hij wou zijn.
Opération ‘Béton’ is als VHSrip en zonder ondertitels te verkrijgen via Karagarga. Charlotte et Véronique, ou Tous les garçons s’appellent Patrick is als extra te vinden op de Criterion uitgave van Une Femme est Une Femme en Charlotte et son Jules op die van À Bout de Souffle. Zoals gezegd is Une femme coquette onvindbaar.

Forum