Professor Romero en zijn metaforische zombies (1)
Night of the Living Dead (1968), Dawn of the Dead (1978), Day of the Dead (1985)
12-06-2010 | Theodoor Steen | Analyse, Horror
Regie: George A. Romero

George Romero is de koning van de zombie-film. De zombie begon ooit als een Jamaicaanse legende waarin voodoo-magie mensen hersenloze slaven maakte, maar Romero gebruikt het idee van figuurlijke levende doden en maakte er letterlijk levende doden van. In de eerste film mag het woord zombie dan niet genoemd worden, Romero’s visie op de zombie verving al snel de Jamaicaanse folklore.
In elke zombiefilm is de zombie metafoor voor de gezichtsloze massa, het verlies van identiteit na gestorven te zijn als ultieme gevaar. Dat de dood letterlijk terugkomt om ons te treiteren is tekenend, maar wat de zombie zo ontzettend eng maakt is het ultieme gebrek aan identificatie met het kwaad. Zombies zijn de massa, ze zijn met velen, ze zijn langzaam, maar ze zijn juist eng vanwege het aantal. Zombies zijn eng omdat ze geen motief hebben, het zijn je familieleden die zomaar, na hun dood, op je gezicht willen knabbelen. Juist het totale verlies van menselijkheid, slechts één deeltje in het geheel is het enge van zombies.
Maar Romero voegt in elke film (al dan niet onbewust) een tweede of derde metafoor toe. Zijn zes zombiefilms zijn elk te lezen als een actueel satirisch maatschappijbewust commentaar. Elk van de metaforen verwijst naar een maatschappelijk debat dat op het moment van filmen speelde, of is een verwerking van een van Romero’s liberale sentimenten.
Night of the Living Dead is een metafoor voor racisme, wat extra duidelijk wordt in het cynische einde. Dat alle zombies in de film blank zijn is opvallend, maar ook het idee van de bleke doden verwijst naar het rassenonderscheid. Hoofdpersoon Ben is een zwarte man in een dubbel vijandige omgeving. Hij heeft niet alleen te vrezen van de zombies, maar ook de blanke mannen in de omgeving zijn hem niet altijd vriendelijk gezind. Blanke mensen blijken amoreel, egoïstisch en narcistisch, hun altijd veilige positie aan de top van de sociaal-economische “voedselketen” opeens doen zien verdwijnen en daardoor vervallend in a-rationeel gedrag. Kleinburgerlijk suburbia blijkt niet zo veilig als gedacht, en de chaos die ontstaat binnen mensen onderling is gevaarlijker dan wandelende pusbulten.
Romero zelf ontkent dat de metafoor voor racisme in Night of the Living Dead bewust. Misschien getriggerd door academische lezingen van zijn werk maakt hij de metafoor in Dawn of the Dead wel bewust en zet deze vrij dik aan. Dawn of the Dead begint in een tv-studio en speelt zich de rest van de speelduur af in een winkelcentrum. Romero brengt zijn boodschap met toeters, bellen en zwaailichten: Dawn of the Dead is een aanklacht tegen de consumptiemaatschappij. De zombies bezoeken nog steeds, na hun dood, hetzelfde winkelcentrum, zoekend naar het comfort tijdens hun levende dagen. De hersenloosheid van consumptie, de bloedeloze muzak in het winkelcentrum en het slechts leven voor het consumeren zijn een weinig subtiel verpakt commentaar. Dat de hoofdpersonen in de film op een dergelijke wijze plunderen als de zombies en de motorrijdende plunderaars maakt duidelijk dat elk van de drie partijen in wezen het zelfde is: geleid door lust en hedonisme, tot aan hun dood en daarna.
De mens en de zombie mogen dan gelijk zijn in Dawn of the Dead, in Day of the Dead is dit niet meer het geval. De zombies zijn niet zozeer meer het gevaar of het kwaad, maar het blijkt de mens die inherent kwaadaardig is. De militairen in de film laten zich leiden door machtswellust, de wetenschappers eveneens. Niemand in de film is sympathiek, allemaal laten ze zich leiden door angst, en gaat om een schijnzekerheid te bereiken over lijken. Letterlijk. De mens in Day of the Dead is barbaars, een degenerende oermens. De zombie in Day of the Dead evolueert juist. Herinnerd en onthoud, blijkt initiatief te nemen.
Daarnaast is Day of the Dead een politiek commentaar op het klassensysteem en het leger. De wetenschappers en militaire klasse blijken de hoogste klassen te zijn binnen de geisoleerde gemeenschap, en de zombies zijn de arbeidersklasse. Deze komt in opstand aan het einde van de film, en deze opstand filmt Romero als een victoriaanse revolutie. De zombies dragen Dickensiaanse kleding, eten van “de straat”, zien er uit als stereotype 19e eeuwse armen en van ziektekiemen doorweekte arbeiders. Dat de opstand van de arbeidersklasse getoond wordt als kannibalisme grijpt terug op de groteske angst van hogere klassen. Dat de zombies letterlijk ondergronds leven, als mijnwerkers is een extra bevestiging van deze vergelijking.
Het militaire misbruik, dat neigt naar misdadig en die over de ruggen van de “bevolking” (zombies) macht uitoefent is dan weer een nauwelijks verkapt commentaar op de vietnamoorlog. Romero’s zombies zijn de schoolborden waarop Romero zijn boodschap met koeienletters kalkt, iets wat sterker wordt in de nieuwe trilogie, die ik volgende week zal bespreken.

Forum
Op 13-06-10 om 18:25 #
Maar de mensen, wetenschappers en soldaten, leven toch ook ondergronds in Day?
Op 13-06-10 om 19:08 #
Dat is waar, maar de zombies bevinden zich letterlijk in een laag daaronder. De plekken waar de zombies vandaan komen zijn ook tunnels die architectonisch beduidend primitiever in elkaar zitten. Waar de complexen van de mensen, wetenschappers en soldaten doen denken aan een lelijke schoolaula doen de zombiegangen aan als mijnschachten en mergelgrotten. Volgens mij bewust.