Uncle Boonmee Who Can Recall His Past Lives (2010)
Een discussie

8 november 2010 · and · Kritiek

De Thaise film Uncle Boonmee Who Can Recall His Past Lives van Apichatpong Weerasethakul wist dit jaar verrassend de Gouden Palm op Cannes te winnen. Nu hij in de Nederlandse bioscopen draait (zes in totaal), leek het Bram en mij – beide idolaat fan van de eigenzinnige regisseur – een uitgelezen moment om in dialoogvorm ons licht te doen schijnen op deze trage, maar intrigerende reflectie op de dunne scheidslijn tussen leven en dood.

Fedor: Mijn eerste observatie betrof dat dit soort films steeds zeldzamer lijken te worden: je kunt tijdens de begintitels moeilijk over het hoofd zien hoeveel sponsoren en fondsen geld in deze film hebben gestoken, die toch echt geen grote productie betreft. Zelfs met een grote internationale prijs zal deze film maar weinig bezoekers trekken. Een film als Das Weisse Band (2009) van Michael Haneke, die vorig jaar met dezelfde eer mocht strijken, was een veel grotere hit. Zal dat liggen aan het Europese karakter van de laatste film, terwijl Uncle Boonmee voor veel potentiële bezoekers te ver verborgen blijft in zijn Aziatische cultuur die voor de Westerse kijker duidelijk minder houvast biedt? Of ligt het niet zozeer aan de achtergrond van het verhaal, als meer aan de ontoegankelijke stijl die niet bepaald draait om spanning en snelheid in de beelden, maar eerder tot filmanalytische meditatie oproept?

Bram: Hoewel ik denk dat een naam als Apichatpong Weerasethakul ook moeilijk te marketen valt, vermoed ik dat het vooral het Aziatische karakter is. Natuurlijk is de film traag (lees: meditatief), maar ik denk dat het in het geval van Uncle Boonmee wel zijn extreemste Aziatische film is. De Thaise cultuur speelde altijd al wel een rol, toch heb ik hier het idee dat hij inhoudelijk een echte Thaise film heeft gemaakt. Anderzijds vind ik dat hij qua vorm niet heel veel anders heeft gedaan dan zijn andere films. Ik heb Weerasethakul altijd gezien als een filmmaker die rondzweeft in zijn eigen bubbel dat onpenetreerbaar is voor onze Westerse manier van filmmaken. Of welke andere vorm dan ook. Hij onderscheidt zich van de gemiddelde ‘Tachtig Jarige Oosterse Vrouw Kijkt Drie Uur Naar Een Steen’ navelstaarderij door alles wat hij aanraakt niet te verheffen boven wat het in principe is. Wat mij altijd opvalt in zijn films is dat hij onwijs nuchter blijft, hoe zweverig de verhalen ook mogen worden. Mensen blijven vooral mensen en zeggen niet meer dan nodig is. En als er dan wel iets heel sprookjesachtig moet gebeuren behoudt hij de integriteit om de scène zonder opsmuk te vertonen.

Een goed voorbeeld hiervan is de Meerkat scène, waarin een prinses met brandwonden in haar gezicht eerst een knecht van haar afslaat omdat hij enkel seks wil en haar niet wil nemen zoals ze is, om dan vervolgens haar te laten praten met een verleidelijke Meerkat. De scène eindigt in een seksscène tussen de prinses en de vis met als hoogtepunt een soort Brakhagiaanse uitspatting waarin een onderwatercamera als een razende het meer verkent. Deze scène, al enorm onbegrijpelijk en vreemd van aard, toont Weerasethakul ons alsof het de meest normale zaak van de wereld is. Hoewel de scène grenst aan kitsch weet hij dit vakkundig te ontwijken. Allereerst kondigt hij dit sprookje niet aan, we staan gewoon plotseling in de nachtblauwe jungle met de knechten en de prinses. Dan kadreert hij de boel vooral van een afstandje, zodat we als publiek niet te veel worden gestuurd. En daarbij helpt het ook mee dat de regisseur precies weet wat zijn karakters wel en niet moeten zeggen en doen. Uncle Boonmee is onder andere door deze scène wel zijn minst nuchtere film. En ondanks dat het wederom een erg bijzondere is schort er toch iets aan. Wat jij, Fedor?

Fedor: Wat mij opviel was dat het een bijzonder donkere film was: bijna alle scènes spelen zich ‘s avonds of ‘s nachts af en dat had voor mij een dubbel effect. Enerzijds had het iets claustrofobisch. Niet alleen omdat het constant donker was, maar omdat de normale wereld met zonlicht niet leek te bestaan in het universum van deze film. Het leek hierdoor alsof je met de personages gevangen zat en gezamenlijk een mysterieuze reis moest afleggen waarbij je tegelijk al je verwachtingen moest laten varen van welke logica achter de gebeurtenissen lag. Anderzijds gaf dit beklemmend effect van een ander soort realiteit het gevoel dat je in de grot van Plato was beland: het was net of je alleen de schaduwen kon zien van de echte wereld dat zich buiten het beeldscherm bevond. Daarin kent de film een duidelijke filosofische insteek, hoewel die meer Oosters van aard is, met referenties naar reïncarnatie en Boeddhisme, dan een Westers model. Ondanks deze onnatuurlijke prikkeling van de zintuigen, moet ik toch stellen dat de conclusie niet geheel wist te overtuigen: hier werd een Boeddhistische monnik gevolgd in een hotelkamer die zich als een niet-monnik gedroeg door zich meer menselijk in zijn emoties te gedragen dan zijn leer voorschrijft. Dit deel viel als breuk in het verhaal niet geheel te overtuigen in verhouding met wat vooraf ging – de meerkatscène is hier ook een voorbeeld van, maar die viel door zijn sprookjesachtige vertelling meer op zijn plaats – en tegelijk was het als subtiele kritiek op de cultuur van Thailand niets nieuws ten opzichte van wat Apichatpong eerder heeft laten zien. Sterker gezegd vond ik de vorige films van hem effectiever en inventiever te werk gaan in plotselinge breuken in de verhaalstructuur en thematiek van meditatie en subtiele confrontatie. Het verbaast me daarom ook dat juist deze film de Gouden Palm heeft gewonnen op Cannes. Kan jij verklaren waarom dat zo is, Bram?

Bram: Weet je nog toen Martin Scorsese een Oscar won voor The Departed? Hoewel het een goede film was, was het geen Taxi Driver of Raging Bull. Die prijs voor zijn regiekunsten voelde meer aan als een kers op zijn algehele catalogus. Een Oeuvreprijs. Ongeveer twee jaar geleden ontdekten wij Weerasethakuls werk. We keken samen Tropical Malady en prezen de film in de hoop zo spoedig mogelijk zijn overige werk te kijken. Inmiddels staan zijn vier op DVD uitgebrachte films in mijn DVD kast op een speciaal plankje. Zo rond de tijd van onze ontdekking zag ik hoe zijn naam steeds vaker werd genoemd op websites en in filmbladen. Het heeft een hele poos geduurd voordat het filmminnende volk achter de magie van Weerasethakul kwam. Inmiddels is Apichatpong Weerasthakul een arthouse merknaampje geworden, zoals bijvoorbeeld Kiarostami dat ook is. Op die manier denk ik dat het niet zozeer om de film gaat, maar meer om zijn bijzondere oeuvre en opgebouwde status. Net zoals Scorsese’s Oscar is Weerasethakuls Palme D’Or eerder een Oeuvreprijs. Uncle Boonmee is absoluut geen slechte film, maar zoals je al aangaf is het meer een herhaling van zetten. Waar Tropical Malady en Syndromes of a Century qua tijd van uitkomst volledig inwisselbaar zijn, lijkt Uncle Boonmee nog het meest op de logische stap tussen Blissfully Yours en Tropical Malady. Do I make any sense with that statement?

Fedor: In die conclusie kan ik me zeker vinden, hoewel ik hoop dat Weerasethakul de volgende keer een nieuwe weg inslaat. Met de vele shorts en video-installaties blijft hij natuurlijk een eigenzinnig regisseur die zich weinig zal aantrekken van wat hem verwacht wordt als grote ‘arthouse-naam’, maar ik hoop niet dat zo’n grote prijs een tegenovergesteld effect zal brengen. En dat bedoel ik in de zin dat hij nog meer cryptisch wordt in zijn narratieve structuur, want juist die houvast miste ik een beetje in Uncle Boonmee. Intrigerend zeker, maar voorbij de beelden ging dat effect niet helemaal. Hij blijft dan een unieke stem in dit filmklimaat, maar ik kan goed begrijpen dat niet iedereen even ingenomen is met zijn werk. Toch blijft het belangrijk dat deze eigengereide filmmakers wel gehoord blijven worden, en dat is gelukkig iets dat een prijs als de Gouden Palm benadrukt.

★★★½☆


Onderwerpen:


1 Reactie

  1. Verhoeven

    Weerasethakul gaat qua vorm verder met Tropical Malady (neem de beelden in het tweede verhaal) en qua thematiek (o.a karma en reincarnatie) verder met Syndromes of a Century.

    In mijn ogen gaat Apichatpong dus gewoon door waar die gebleven is. Vooral als je zijn oeuvre chronologische bekijkt. Korte films daargelaten. Boeddhistische thematiek, korte referentie naar eerdere films, twee verhalen die associates oproepen naar elkaar, verleden –> heden –> toekomst –> werkelijkheid –> droomwereld lopen dwars door elkaar heen. Oftewel voor mij ontzettend herkenbaar en tegelijk hallucinerend.

    Beste film tot nu toe. Geen op- of aanmerkingen.


Reageer op dit artikel