Omar’s coming!
De 10 mooiste ontdekkingen buiten dit bioscoopjaar

19 juli 2011 · · Lijst

In navolging van Kaj zijn half-jaarlijkse filmbeleving van alles wat aan de moderne bioscoopganger voorbij is gegaan, wilde ik in zijn voetsporen treden en eveneens mijn ontdekkingen delen. Voor ik de top tien aanbreek, wilde ik een vijftal eervolle vermeldingen geven aan achtereenvolgens Die große Ekstase des Bildschnitzers Steiner (1974), een lyrische Herzog-docu over een skischansspringer; Crumb (1994), een eigenzinnig portret over een nog eigenzinniger striptekenaar – soms op het vulgaire af; La signora di tutti (1934), een Italiaans drama met prachtige beelden op locatie en vooruitstrevend camerawerk onder leiding van Max Ophüls; The Shop on Main Street (1965), een aangrijpend Holocaustdrama van grote klasse door het oog voor menselijk detail; en ten slotte de experimentele shorts van Peter Tscherkassky (1981-2010), die ik flink meer ben gaan waarderen na grotendeels zijn kleine oeuvre te hebben doorgespit. Dat brengt ons bij de volgende tien, waarbij ik voor het gemak de eerste helft van juli heb meegerekend.

10. A Better Tomorrow (John Woo, 1985)

Ik schreef er al over het op forum en ik zeg het nog een keer: wat een heerlijke lak aan alles toont Woo in zijn doorbraak door niet alleen zijn personages overhoop te knallen, maar ook het plot aan flarden te schieten. De plotstructuur, die in het begin nog warrig oogt – onduidelijk wie precies wie is – wordt naarmate deze vordert steeds interessanter door zijn bijna impressionistische vertelstijl: belangrijke ontwikkelingen (gevangenisschap, relationele conflicten) vliegen soms in enkele seconden voorbij, terwijl huishoudelijke taferelen en natuurlijk de shoot-outs bijzonder veel aandacht krijgen. Daardoor lijkt het verhaal soms van de hak op de tak te springen, maar ik vond het juist verfrissend omdat de gebeurtenissen daardoor iets onvoorspelbaars kregen en de meeste clichés werden ontweken. En wat blijft Yun-Fat Chow toch een ongelooflijke bad-ass, want zelfs wanneer hij de tweede viool speelt, mag hij het gros van de actiescènes voor zijn rekening nemen. Trek je lessen, Hollywood.

9. De shorts van Charley Bowers (1925-1928)

Ik heb pas drie van zijn shorts gezien, maar deze stille filmkomiek voelt al een ware ontdekking. Hij combineert de fysieke humor van Buster Keaton en het ‘nerdy’ karakter van Harold Lloyd. In feite maakte hij eind jaren twintig dezelfde soort shorts waarmee Keaton begin jaren twintig doorbrak: inventief, snel, en absurdistisch. Vooral het laatste element is een toevoeging van eigen keuken, want zijn handelskenmerk is het ingenieuze gebruik van stop-motion. Naast Egged On (1926), kan ik There It Is (1928) aanraden, die je hier beneden aantreft:

8. Bill Douglas trilogie (1972, 1973 & 1978)

De Britten zijn niet vies van een sterk staaltje rauw, uitzichtloos drama. De hele ‘kitchen sink cinema’ van eind jaren vijftig, begin jaren zestig is er immers omheen gebouwd. Begin jaren zeventig verfilmde Bill Douglas zijn jeugd met de trilogie My Childhood (1972), My Ain Folk (1973) en My Way Home (1978). De bijzondere statische cameravoering, de grauwe zwart-wit beelden van een mijnwerkersstadje, en het volledig onsentimentele acteren van de cast, maken dit meer tot slechts een persoonlijke herinnering aan het fundament voor het harde leven dat te wachten staat. De eerste twee delen zijn het sterkst, de derde is meer dan verdienstelijk.

7. Twin Peaks (David Lynch en Mark Frost, 1991-1992)

Deze Lynchiaanse gedachtekronkel stond al lange tijd op mijn lijstje om gezien te hebben, en het bleek een serie van allure, van mysterie, maar helaas ook een onevenwichtig verloop. Het ijzersterke seizoen 1 beloofde, ondanks zijn makkelijke cliffhanger, een wereld vol verrassingen en ontknopingen. Helaas zakte seizoen 2 op de helft volledig in, nadat het moordmysterie van seizoen 1 door de bemoeienis van de televisiemaatschappij was opgelost. Toch blijven de humor (wat een dialogen!), de stuk voor stuk schitterende personages en het heerlijke, unieke sfeertje – waar niks is wat het schijnt – collectief in ieders geheugen gegrift nadat het gezien te hebben. Kan ik eindelijk meepraten. Maar er was echter één tv-serie die me dit jaar nog meer van mijn stoel afblies.

6. Crac (Frédéric Back, 1981) / Tango (Zbigniew Rybczynski, 1981)

Shorts, van experimentele perikelen tot geanimeerde animaties: als ik ergens veel van heb gekeken dit jaar zijn het wel shorts. Van de paar die me het meest ontroerden of intrigeerden, heb ik er twee uitgekozen: Crac van de Canadees Frédéric Back en Tango van Zbigniew Rybczynski, beide uit 1981. Crac roept het gevoel op van tijdens de winter bij het haardvuur zitten en verhalen horen van je opa. Hoogst nostalgisch, maar wel bijzonder effectief, en met fijne muziek en een heerlijk zwierige animatiestijl. Tango is meer eentje van ‘loopt daar een aap door het beeld?’ Een fascinerende herhalingsoefening binnen één enkele kamer, die steeds voller loopt. Klik voor Tango op de link in de titel en Crac kan je beneden bekijken:

5. The 36th Chamber of Shaolin (Chia-Liang Liu, 1978)

Deze klassieke Shaw Brothers film over een Shaolin-monnik in opleiding is niet meer dan één grote, lovenswaardige metafoor voor discipline en doorzettingsvermogen, die in de tweede akte tijdens de trainingssequenties bijzonder knap wordt gevisualiseerd. De jonge held die keer op keer faalt om via een boomstam naar de overkant te springen, leert uiteindelijk van zijn fouten, maar zeker niet meteen: pas na lang oefenen. Prachtig vond ik de ‘kamers’ die hij moest doorlopen: een proces van volwassenwording en beheersing. De climax omtrent zijn beoogde wraak is dan niet meer heel verrassend qua ontknoping, maar wel mooi om te zien hoe al zijn technieken weer terugkomen tijdens de fraai in beeld gebrachte gevechten. En als je dan zelf terugkijkt welke weg hij – die jaren bestrijkt – heeft afgelegd, dan voelt dat iets waar je zelf ook een wijze les uit kan trekken. Niet alleen stijlvol en doeltreffend, maar des te meer inspirerend.

4. Film noir (jaren ’40 en ’50)

Film Noir is werkelijk een onuitputtelijk ‘genre’ waar ik afgelopen half jaar ook weer het nodige moois van ontdekt hebt. Ik kan moeilijk slechts eentje uitkiezen, daarom noem ik de mij sterkst bijgebleven titels: House of Strangers (1949), een directe voorloper van The Godfather over een Italiaanse bankiersfamilie met Edward G. Robinson als patriarch; Fallen Angel (1945) over een moreel aan de wal zijnde gelukszoeker die zijn hart tegen beter weten op de verkeerde dame blijft inzetten; Tension (1949) over een jaloerse echtgenoot met een dubbele persoonlijkheid en een politieagent die graag het spelletje naar eigen regels meespeelt; Illegal (1955) over een corrupte advocaat met wederom een geweldige Edward G. Robinson in de hoofdrol; en Where Danger Lives (1950), waar Kaj gister al terecht de loftrompet over afstak. Ik verwacht komend half jaar geen mindere pareltjes op te duiken.

3. Aki Kaurismäki’s proletariaat trilogie (1986, 1988 & 1990)

Jaren terug zag ik The Man Without a Past (2002) en toen kon Kaurismäki’s zwarte humor over figuren aan de onderkant van de maatschappij me nog lang niet bekoren. Dat bleek begin dit jaar wel anders toen ik de zogenaamde ‘proletariaat trilogie’ onder ogen kreeg. Wat een uitgekiende beeldcomposities, wat een heerlijke troosteloosheid, maar het is vooral de gortdroge humor dit het afmaakt. In tegenstelling tot de Zweedse collega Roy Andersson, is Kaurismäki meer een man naar mijn hart. Waarom dan de ene humor wel werkt en de ander niet? Ik durf het niet te zeggen. Wat ik wel kan stellen is dat Kaurismäki de Europese variant van Jim Jarmusch heet, maar dan duidelijk met een eigen draai aan de symbolische reizen die hij zijn personages laat afleggen. Shadows in Paradise (1986) is belovend, maar het zijn vooral Ariel (1988) en The Match Factory Girl (1990) waarmee hij zijn dieptrieste hoogtepunt bereikt. Van deze regisseur ga ik eens meer opzoeken.

2. Face in the Crowd (Elia Kazan, 1957)

Ik was geschokt om te zien hoever deze film zijn tijd vooruit was. Niet alleen een directe inspiratiebron voor een hele rits jaren zeventig klassiekers door zijn stijl en acteerwerk, maar vooral door zijn bijzonder scherpe thematiek over de macht van het beeld. Om precies te zijn: het televisiescherm, het opkomende medium waar de bioscoopfilms tegen opbokste, een medium van demagogen en van het volk. Samen met het hoofdpersonage ‘Lonesome’ Rhodes (gespeeld door Andy Griffith, die in zijn acteren bijzonder veel aan John Cassavetes doet denken) als zwerver die het tot tv-persoonlijkheid schopt, maak je als kijker een fascinerende reis tot ver achter de schermen. Van satirische countryliedjes tot hints naar pedofilie; van hysterische reclames tot absurde humor waarbij Rhodes het niet schuwt de vierde muur te doorbreken, althans.. die van de tv-kijker. Maar dat maakt de filmbeleving niet minder actueel. Patricia Neal als Marcia Jeffries, die Rhodes ontdekt heeft en merkt dat haar creatie langzaam in een mediageniek monster verandert, is tevens sterk. Haar teruggetrokken scènes in de film noir-coulissen roepen weer een wereld op die ons doet herinneren aan de keerzijde van succes. Van uitzinnig tot waanzinnig, dit had nooit uitgezonden mogen worden!

De Vitajex-reclame:

En ten slotte:

1. The Wire (David Simon en Ed Burns, 2002-2008)

Er was geen film, geen serie, laat staan een bioscoopervaring die me tot nu toe zo heeft kunnen bevangen. Emotioneel als intellectueel, want deze serie zoekt het thematisch niet alleen in de breedte op, maar in zijn drama ook in de diepte. Van corruptie tot bureaucratisch gegoochel bij politie en politiek met te behalen cijfers, schakelt The Wire even makkelijk over op de persoonlijke ontwikkelingen van de hoofdpersonages, die elk hun eigen verhaal hebben, en elk op hun eigen manier onvergetelijk zijn. Dit is geen serie die het moet hebben van paar bekende sterren, maar juist van een hele cast onbekendere karakteracteurs die gedurende de seizoenen je steeds meer voor je winnen. En dat gaat niet alleen op voor het politiekorps, maar ook voor de drugdealers op straat. Iedereen is gelijk in aandacht, en daardoor des te menselijk.

The Wire is door zijn wisselende perspectieven en locaties van actie dan ook veel meer dan de normale politieserie; het is eerder een sociologisch portret te noemen van de moderne, Amerikaanse stad (Baltimore). En van een niveau en gelaagdheid dat het over vijftig jaar eenzelfde status zal behalen als de grote literatuurklassiekers uit de negentiende eeuw, zoals die van Dickens en Tolstoi. Seizoen 4 over het schoolsysteem is wellicht het summum van de hele reeks: nergens is het onontkoombare drama zo aangrijpend als hier, maar het spreekt voor zichzelf dat elk seizoen zijn eigen klasse kent en het uiteindelijk om het grotere geheel draait. Dit wordt een serie die alleen maar kan groeien, bij elke generatie en bij elke kijkbeurt weer, daar ben ik vrij zeker over. En soms hoop je dat elke tv-serie zo goed kan worden.



9 Reacties

  1. Erwan Ticheler

    Mooie afwisselende lijst en kan het met je nummer 1 alleen eens zijn, was twee jaar geleden ook compleet weggeblazen door de serie. Ik zal hem binnenkort weer eens gaan herkijken en zoals je zegt zal het dan niet ineens tegenvallen maar denk ik zelfs nog beter worden.

  2. theodoor

    Ik kan de lof voor A Face in the Crowd niet genoeg beamen. Spannend, interessant, dramatisch, maar ook scherp en satirisch. Naast de genoemde opvallende elementen zijn er ook hints naar rassensegregatie, feminisme, populisme in de media, en een aantal scènes met lekker zwarte humor (jochie in rolstoel wordt doorelkaar geschud door niets vermoedende komiek, bijv.) Ook bijzonder is dat de film feilloos constant van toon veranderd, zonder dat de film in onderdelen uit elkaar valt. Briljante film, en zou ook hoog in mijn lijst komen.

  3. Erik

    Jammer dat “A Face in the Crowd” alleen (?) een regio 1 release heeft gekregen. Zou ‘m graag willen zien. :-(

  4. Kaj van Zoelen

    Koop dan een keer een speler die regiovrij is of te maken is. ;)

    “Ik verwacht komend half jaar geen mindere pareltjes op te duiken.”

    Let’s!

  5. Fedor Ligthart

    @Erik: A Face in the Crowd komt inderdaad uit de regio 1 Controversial Classics box.

    @Kaj: You name it!

  6. Camera Obscura

    Mooi! Kaurismäki’s Le Havre krijgt binnenkort een uitgebreide recensie dus.

  7. Coen Vermeer

    Ik zou toch The Man Without a Past nog een keertje kijken. Ik vond het echt een geniale film, emotioneel, grappig, donker, licht, rustig maar ook spannend. Nog nooit zo ontspannen een rollercoaster van emoties gezien.

  8. Fedor Ligthart

    Op den duur zal ik dat zeker doen (zag hem destijds in een openluchtvoorstelling toen hij uitkwam), maar ik wil eerst de rest van zijn razend interessante oeuvre zien. Heb jij daarvan veel gezien? (verdere tips?)

  9. Coen Vermeer

    Nee ik heb verder niks van hem gezien. Een schande eigenlijk aangezien ik The Man Without a Past zo goed vond. Ik las wel dat ook zijn nieuwste Le Havre een aanrader is. Hopelijk komt die snel in de bioscoop langs.


Reageer op dit artikel