Het beste (en slechtste) van 2010 volgens Fedor

7 januari 2011 · · 2010 + Lijst

Met een oogst van tegen de zestig films, shorts en series, kan ik spreken van een divers en geslaagd filmjaar, maar wanneer ik kijk naar welke films ik nog had willen zien, doet dat ook beseffen hoeveel er gemiddeld wel niet uitkomt in een jaar tijd. Ik hanteer echter niet de regel dat ik alleen bioscoopfilms meereken, maar ook kortere films en series, behalve als die komend jaar nog in de bioscoop zullen verschijnen. Het wordt ook lastig om alle titels een plaats en naam te gunnen in zo’n kort jaaroverzicht, maar omdat ik eens gek wil doen, heb ik dit keer de in mijn ogen de meest spraakmakende titels in enkele snedige zinnen opgesomd. Hoewel deze poging gedoemd is te mislukken, heb ik geprobeerd zo min mogelijk te vervallen in holle frases of goedkope plotomschrijvingen, dus geniet en huiver van mijn persoonlijke beleving in alfabetische volgorde!

Another Year (Mike Leigh). Er zijn nog weinig regisseurs die consequent sterke drama’s maken met het oog voor menselijk detail en uitgewerkte personages als Mike Leigh dat doet. Hoewel niet zo gestroomlijnd of verrassend als zijn vorige films – het voortkabbelende verhaal zakte soms in – laat Leigh in het laatste, ontroerende kwartier toch zien dat het de lange zit waard is.

Bal [Honey] (Semih Kaplanoglu). Het op authenticiteit beluste verhaal van de winnaar van de Gouden Beer vervalt te veel in dweperigheid, en trekt even traag voorbij als de substantie van zijn titel. Het drama was gelukkig niet mierzoet.

Boardwalk Empire (Seizoen 1): Ik breek graag met het idee dat een filmjaar alleen draait om (bioscoop)films, en zie dit jaren twintig gangsterepos met Steve Buscemi in de rol van zijn leven als een sterk staaltje filmmaken dankzij de uitgediepte personages en het knap gecreëerde tijdsbeeld. De serie moest de eerste afleveringen wel even op gang komen en het niveau van The Sopranos zit er voorlopig nog niet in.

Copie conforme (Abbas Kiarostami). Dit geanticipeerde arthousepareltje schoot door zijn zelfbewustheid bij mij in het verkeerde keelgat. Ik kon evenals de personages nooit de werkelijkheid accepteren als bevredigend, maar evenmin als geloofwaardig. De teleurstelling van het jaar.

Donor Unknown (Jerry Rothwell) was mijn favoriet op afgelopen IDFA, al komt dat enerzijds doordat de enige andere titel die ik zag – het door mij hoog ingeschatte Tabloid van Errol Morris – tegenviel. Anderzijds was deze vertelling over een hippie die in zijn jongere jaren drie keer per week zaad doneerde om zijn huur te kunnen betalen en zo voor waarschijnlijk honderden ‘siblings’ (halfbroertjes en -zusjes) heeft gezorgd, een uniek portret van oprechte interesse en verwondering. Goed gebruik van crosscutting, knap getimede interviews, en een paar scherpe kanttekeningen bij de winstmotieven van de donorbank maakte deze documentaire compleet.

Enter the Void (Gaspar Noé) was audiovisueel uniek en gedurfd, maar in zijn plot idioot en banaal. Als dat niet polariserend werkt?

The Expendables (Sylvester Stallone) was met zijn waardeloze dialogen, hilarische ‘macho ethics’ (wat hadden ze allemaal toch een klein hartje), hersenloos geknal en het barslechte acteren van Sly in zijn eigen hoofdrol, de meest belachelijke actiefilm van het jaar. Alleen geschikt voor de echte man, thuis snotterend van nostalgie met kleenexdoekjes in zijn vuistje.

Fantastic Mr. Fox (Wes Anderson). Misschien kwam het doordat mijn verwachtingen na Wes Anderson’s The Darjeeling Limited voor de verandering eens niet zo hoog lagen, dat deze schattige stop-motion animatie me uiteindelijk alleszins meeviel. Het magere verhaaltje van het bescheiden bronmateriaal was op sommige punten iets te ver uitgerekt, het einde was redelijk idioot, maar de animatietechniek werkte gewoonweg hartverwarmend.

Photobucket

The Ghost Writer (Roman Polanski) was een klassieke samenzweringsthriller in jaren zeventig stijl, sfeervol geschoten met een sluimerende spanning onder het bedrieglijk stille oppervlak. Polanski weet, op de licht onbevredigende ontknoping na, het plot altijd boeiend te houden door oog voor detail en mooi gebruik van locaties. Ondanks alle Europese filmprijzen wil ik deze paranoia vol metaforen naar Polanski’s eigen leven nog steeds onderschat te noemen.

Harry Potter and the Deathly Hallows: Part 1 (David Yates) was door de vaart in het verhaal en de persoonlijke momenten (Nick Cave) zeer vermakelijk, maar het botte einde was een regelrechte doodzonde. Hadden de makers hun economische motieven eens laten varen en er een vier uur durend epos van gesmeed – de lengte was het probleem niet – dan had het de potentie iets unieks te zijn geworden in blockbusterland.

The Hurt Locker (Kathryn Bigelow). Een maand na het spektakel van Avatar deed deze onberispelijke oorlogsfilm me wederom beseffen dat het zinloos is heil te zoeken in technologie als 3D om de harten te veroveren of film naar een hoger plan te tillen, maar dat een ijzersterke montage en cameravoering genoeg is om je van spanning de gehele speelduur op het puntje van je stoel te laten zitten. Ook eens verfrissend om een Irakfilm te zien die niet ingaat op het politieke aspect, maar juist op de beleving van de militairen zelf. Zinderend tot de laatste minuut: een actiefilm van de bovenste plank.

In een vergeten moment (Menno Otten). Tijdens een zeldzame vertoning in het filmmuseum (inmiddels omgedoopt tot EYE), werkte deze kleine film door het observeren van mensen die aan het wachten waren bij een tramhalte als een intieme meditatie op het leven. Evenals als Menno’s vorige short Nachtwake (2008) verfrissend door zijn gebruik van beeld en geluid.

Inception (Christopher Nolan). Een droom in een droom… in een droom. Deze afstandelijke navelstaarderij ging voor mij allemaal net iets te diep. Had DiCaprio als iemand die de grip op realiteit verliest overigens niet exact dezelfde rol in Shutter Island?

Io sono l’amore (Luca Guadagnino). Hoe barok wil je het hebben? De weelderige beeldenpracht, de minimalistische muziek in de stijl van Philip Glass, en natuurlijk de ongenaakbare Tilda Swinton die de sterren van hemel speelt. Deze opera vermomt als film gaat soms net over de top, zoals met de seksscène in de natuur of tijdens de dramatische ontknoping in de slotakte, maar voor het grootste gedeelte liet me ik me graag overweldigen door dit noodlottige stukje cinema.

Iron Man 2 (John Favreau) bleek een waardeloos vervolg, dat niks toevoegde aan het al zwakke origineel, en mag direct naar de schroothoop. Robert Downey Jr. verdiende beter dan dit ondermaatse scenario, en Mickey Rourke evenzeer, hoewel hij altijd het meeste lijkt te halen uit waardeloze bijrollen (zie ook: The Expendables),

Jackass 3D (Jeff Tremaine). De stunts en inside jokes leken soms meer plezier te bezorgen aan de leden van Jackass zelf, dan ze voor het publiek bedoeld waren. De ‘midget-bar scène’ laat echter zien dat surrealistische humor, wanneer goed gepland, zijn weerga niet kent, de ‘old man’ (Johnny Knoxville) mag daarentegen rechtstreeks de prullenbak in.

Photobucket

Kick-Ass (Matthew Vaughn) was niet meer dan een nerdfantasie over hoe te veel geweld problemen veroorzaakt en oplost voor een gehersenspoeld meisje en een mislukte puber die zijn heldenrol afwisselt met zich als een ‘gay best friend’ voor te doen om een meisje te kunnen schaken. Bijzonder pathetisch.

The Kids Are All Right (Lisa Cholodenko) deed door Vampire Weekend over de openingscredits mijn nekharen recht overeind staan, maar de indie-sfeer bleek enigszins beperkt toen zich een alleraardigst drama ontvouwde over het moderne gezin met twee vrouwen aan het hoofd die door hun kinderen werden geconfronteerd met hun beider zaaddonor. Alleen jammer dat op het einde het relationele conflict zo politiek correct moest worden opgelost zonder dat we precies achter de motivatie kwamen. Mark Ruffalo steelt de show, Annette Bening toont haar klasse.

Lebanon (Samuel Maoz). Schaamteloos effectbejag vanuit een tank die de Gouden Leeuw mocht ontvangen op het filmfestival van Venetië. Zelfs een NOS journaal biedt meer nuance en uitdieping van een oorlogssituatie, dan deze zogenaamde ‘tour de force’.

Madeo [Mother] (Joon-ho Bong). Een Koreaanse thriller met de klasse van Hitchcock? Origineel was hij zeker, vooral in zijn ontknoping, en misschien kwam het doordat ik me zo aan het hoofdpersonage, de zoon, ergerde dat de film me niet wist te overtuigen. Verdient op den duur een herkansing.

Politist, adjectiv (Corneliu Porumboiu). Roemeense films zijn door hun droogkomische vertellingen, doorspekt met sociaal commentaar, een aparte slag binnen het moderne Europese filmcircuit, maar dit politieonderzoek was me veel, maar dan ook veel te traag verteld. Ideologisch niks op aan te merken, maar volgende keer neem ik een kussentje mee wanneer een filmmaker zo letterlijk uitzichtloosheid en zinloosheid wilt verbeelden.

Un prophète (Jacques Audiard). Misschien komt het doordat de genremix van misdaadfilm en gevangenisdrama voor mij nooit helemaal boterde, of dat ik hem niet zo gedurfd of vernieuwend vond binnen beide genres zoals velen hem zagen. Vakkundig vervaardigd, dat wel, maar beklijvend? Non.

Robin Hood (Ridley Scott) met Russel Crowe in de hoofdrol alleen geschikt voor veertigplussers in midlifecrisis. Errol Flynn had zich voor dit grauwe, fantasieloze realisme in zijn technicolorgraf omgedraaid.

A Serious Man (Coen brothers). Ik begrijp nog steeds niet wat iedereen precies zag in deze droge vertelling over stereotype Joden met knagend schuldbesef. Alleen de drugstrip tijdens Bar Mitswa was enigszins, de rest bleef hopeloos steken in potentie met hints naar ontknopingen die nergens werden ingelost. Er kon bij mij nauwelijks een glimlach van af, en ik denk alleen behapbaar voor de interpretatiepuristen onder ons.

Shutter Island (Martin Scorsese). Iedereen zag de twist van mijlenver aankomen, maar ik ervoer hem als die van Vertigo: niet als verrassing, maar als geslaagde uitdieping van het drama. De beeldtaal doet achteraf denken aan de Val Lewton horrorfilms uit de jaren veertig met zijn tegenstrijdige montage en onwerkelijke beleving van realiteit. Psychologische horror in een modern jasje.

Photobucket

Sint (Dick Maas) zat vol goedkope jaren tachtig effecten en dito humor. Op een autoachtervolging met zombie-pieten en een Sint op de daken na, een misplaatst product van zijn tijd.

The Social Network (David Fincher). Deze titel is flink in mijn waardering gestegen wanneer ik terugdenk aan hoe weinig mijn eerdere punten van kritiek hebben stand gehouden ten opzichte van de klasse: ‘hoe vertel je een actueel verhaal op een ingrijpende, grappige en scherpzinnige manier’. Petje af, want deze film wil ik eigenlijk dolgraag opnieuw gaan zien om te kijken hoe sterk hij inhoudelijk in elkaar steekt. En dat had ik in eerste instantie na afloop niet verwacht.

Submarino (Thomas Vinterberg) was een degelijk drama zonder veel franje, maar werkte net te ontnuchterend tijdens het kijken.

Tirza (Rudolf van den Berg) was niet alleen hopeloos voorspelbaar, maar vooral oer-Hollands lelijk in zijn vertelkunst. Naakt, maar nooit confronterend; rauw, maar nooit aangrijpend. Eigenlijk in bijna alle mogelijke opzichten vooral banaal: hoofdrolspeler Gijs Scholten van Aschat, het enige pluspunt, komt er maar bekaaid van af.

Toy Story 3 (Lee Unkrich). Ik was nooit een groot fan van deel 1 en 2, maar dit deel verraste me in elk opzicht. Het laatste half uur was een wonderlijk geslaagde combinatie tussen spanning en berusting; loslaten en doorgeven. De emotionele betekenis van speelgoed verbeeld met hart en ziel.

Uncle Boonmee Who Can Recall His Past Lives (Apichatpong Weerasethakul) won op Cannes de Gouden Palm, maar ik vond Weerasethakuls enigmatische stijl te weinig vernieuwend ten opzichte van zijn eerdere werk. De meest claustrofobische film van het jaar.

Valhalla Rising (Nicolas Winding Refn) had een middeleeuwse drugstrip van jewelste moeten zijn, maar de lelijke kleurenfilters tijdens de visioenen, de montage die soms zijn eigen scènes om zeep hielp, en het desintegrerende reisverloop maakte deze The New World van het jaar 1000 tot de meest onverschillige ervaring denkbaar.

Vincere (Marco Bellocchio). De tweede Italiaanse verrassing van afgelopen jaar. Stilistisch tot in de puntjes, boet de film wel in aan kracht in de tweede helft doordat de acteur ‘Benito Mussolini’ moet plaatsmaken voor archiefmateriaal ‘Benito Mussolini’, maar zo zie ik persoonlijke verhalen binnen geschiedenis graag verbeeld.

Where the Wild Things Are (Spike Jonze). Je kon geen meer eigenzinnige jeugdbeleving vinden dan bij Spike Jonze’s laatste kunststukje. De kostuums, de special effects, de conflicterende emoties, kortom; de zelf gecreëerde monsters van hoofdpersoon Max waren de meest originele fantasieën die dit jaar het witte doek sierden.

You Will Meet a Tall Dark Stranger (Woody Allen). Zoals Erwan al opmerkte, waren de karakters te eendimensionaal, waren de losse eindjes vervelend – niet zozeer doordat we niet wisten hoe het zou aflopen voor de personages, maar eerder hoe ze daar mee om zouden gaan – en was de humor schaars. Dat gezegd, Woody Allen is naar mijn idee al jaren op zijn retour.

Top 10

01. The Hurt Locker (Kathryn Bigelow)
02. Toy Story 3 (Lee Unkrich)
03. Where The Wild Thing Are (Spike Jonze)
04. The Ghost Writer (Roman Polanski)
05. Io sono l’amore (Luca Guadagnino)
06. Shutter Island (Martin Scorsese)
07. The Social Network (David Fincher)
08. In een vergeten moment (Menno Otten)
09. Boardwalk Empire (Seizoen 1)
10. Donor Unknown (Jerry Rothwell)

Flop 5

01. Tirza (Rudolf van den Berg)
02. Kick-Ass (Matthew Vaughn)
03. Inception (Christopher Nolan)
04. A Serious Man (Coen brothers)
05. Enter the Void (Gaspar Noé)



6 Reacties

  1. Kaj van Zoelen

    Ik blijf het mysterieus vinden, je mening over A Serious Man, al helemaal die laatste flauwe zin. Maar goed, accept the mystery zullen we maar zeggen. ;-)

    Hoewel ik me toch afvraag waarom je bij de ene film zegt dat “ijzersterke montage en cameravoering genoeg is” en dat bij de andere film dan weer helemaal niet mee lijkt te spelen voor je. :-)

    Wel een goed stuk en leuke benadering, trouwens.

  2. Rik Niks

    Petje af dat niet de helft van de films al zover bij je is weggezakt dat er geen zinnig woord meer over op papier te zetten is… Met terugwerkende kracht spijt van dat ik Io sono l’amore aan me voorbij heb laten gaan, zoals jij hem beschrijft lijkt die me op het lijf geschreven.

  3. Verhoeven

    Refn is kleurenblind en Porumboiu heeft overigens nog even geprobeerd de film in te korten, maar dan werkt het niet.

  4. Thiver

    Yes, eindelijk iemand die mijn mening over Tirza deelt!

  5. Fedor Ligthart

    Kaj: goed, een film als A Serious Man is, zoals elke Coen brothers film, sterk geschoten en gemonteerd, maar het draait toch ook om de synthese met het verhaal, en als deze er niet is, kan ik bijvoorbeeld de film wel punten toekennen op de eerstgenoemde kwalitatieve aspecten, maar het zal nooit tot iets optellen. En over mijn laatste, flauwe zin: mag ik je nog even wijzen op die van jou uit de La Notte recensie? ;)

    Rik: Io sono l’amore zou ik je inderdaad aanraden, hoewel ik jouw kritische blik nog steeds lastig vind om in te schatten. Maar je kunt hem qua stijl boven inhoud zeker vergelijken met iets als A Single Man.

    Verhoeven: dat iemand kleurenblind is, zie ik niet direct als een argument hoe kleuren gebruikt worden. De rest van de film had immers geen verkeerde ‘look’. En dat Porumboiu de film heeft proberen in te korten, zie ik ook niet als iets dat de beleving wezenlijk anders had gemaakt. Om te vergelijken: Roemeense films als 4 maanden, 3 weken en 2 dagen, The Death of Mr. Lazarescu en California Dreamin’ grepen me wel aan in hun dramatische momenten en uitzichtloosheid, terwijl hier het drama geheel vedronk in zijn onderkoelde stijl van langgerekte temps morts, hoewel ik het punt dat de filmmaker wilde maken over het bureautische doolhof best kon waarderen.

    Thiver: ik denk als meer mensen van Salon Indien hem hadden gezien, die mening nog sterker werd gedeeld ;)

  6. Kaj van Zoelen

    Wat betreft Tirza: ik hoorde Fedors mening en bleef weg. :)


Reageer op dit artikel