Page One (2011) en Postmoderne Hutspot (2012)
De toekomst van oude media

19 februari 2012 · · Beschouwing

Een youtubefilmpje wordt ondersteboven gekeerd. De medewerkers van The New York Times ontdekken al snel dat er beelden zijn weggelaten in het zonder context op internet als ‘nieuws’ geplaatste filmpje van een militaire actie in Irak. Beelden die de actie in een heel ander daglicht zetten. Op de burelen van de Times komt het gesprek als vanzelf op het bestaansrecht van een ouderwets instituut als het hare. Via social media kan iedereen nieuws maken, de een duidelijker over haar agenda dan de ander. Subjectief, gratis. Wie betaalt er nog voor nieuws en waarom? Documentairemaker Andrew Rossi volgde een jaar lang de Times in haar existentiële crisis, met Page One: Inside the New York Times als resultaat. Een tweede journalistieke documentaire, Postmoderne Hutspot van Michiel van Erp, sluit hier in thema en aanpak op aan.

In het jaar dat Rossi op het hoofdkantoor van de Times rondliep drong de urgentie van de ontwikkelingen in het medialandschap stevig door. Assange koos de krant uit voor publicatie van zijn Wikileaks-dossiers, de hete adem van hippe bloggers werd meer en meer gevoeld, de IPad werd gelanceerd en de terugloop van commercieel succes vertaalde zich in een grote ontslagronde. Rossi is erbij als Assange zijn praatje doet, maakt de verhitte discussies mee tussen nieuwe en oude media op universiteiten en mediaplatforms en staat erbij als vaste krachten beteuterd hun bureau voorgoed opruimen.

Toch is hij minder geïnteresseerd in het drama van een instituut in verval of de dagelijkse praktijk op een redactie dan in de vraag hoe een oud journalistiek format als een krant de toekomst in moet. Het minutieuze onderzoek naar feiten en bronnen wordt geroemd; voor veel medewerkers is de Times een autoriteit met een min of meer objectieve status en dankt het daar haar meerwaarde aan. Het verleden heeft uitgewezen hoe gevaarlijk het kan zijn daar op te vertrouwen; een artikelreeks over Iraakse massavernietigingswapens was bepalend in het publieke debat over een militaire inval in Irak, maar bleek inhoudelijk, zo zien we de schrijfster achteraf bekennen, onjuist. Het is een keerzijde die kleeft aan het journalistieke ideaal de macht te controleren door aan waarheidsvinding te doen. Op de vraag of instituten als de Times daar onontbeerlijk voor zijn, of dat nieuwe media deze rol op een andere manier ook kunnen invullen gaat de documentaire helaas niet in.

Dit journalistieke ideaal wordt met veel ijver door Michiel van Erp (o.a. Pretpark Nederland, Angst) nagestreefd in zijn verslag van het Nationaal Historisch Museum-debacle. Van de bombastische start van het project tot het definitieve doven van het nachtkaarsje volgde hij de directie bij het (niet) verwezenlijken van hun plannen. Het verhaal is bekend; het NHM zou na veel getouwtrek in Arnhem komen, toen op een tweede locatie in Arnhem, toen op last van de 2e Kamer toch weer bij het Openluchtmuseum, dan bleek het bouwplan te kostbaar, en na Zijlstra’s bezuinigingsronde in de culturele sector werden de plannen in etappes uitgekleed tot er niks meer van over was en de stekker er uit ging.

Hoewel Van Erp vanuit het perspectief van de directie filmt, bestrijkt zijn verslag het hele speelveld, en werpt het daarmee een verhelderende blik op politiek machtspel. De kwestie over de alternatieve locatie in Arnhem blijkt uiteindelijk de neerval in te zetten. Niet de vraag welke van de 2 locaties het beste is bepaalt de keuze van de Kamercommissie, maar irritatie over de handelswijze van minister Plasterk. Op een punt bovendien waarop PvdA en CDA elkaars bloed konden drinken rijst het vermoeden dat Nout Wellink (voorzitter van Raad van Toezicht bij het Openluchtmuseum en van CDA-huize) via premier Balkenende zijn zin doordrijft van de OM/NHM-combi, wat het begin van het einde inluidt.

Van Erp heeft er een waardevol document van gemaakt over het falen van weer een ambitieus project in Nederland. De Noord-Zuidlijn, het Stedelijk Museum, het Rijksmuseum; legio zijn de projecten inmiddels waar we ons aan vertillen. In fly on the wall-stijl registreert Van Erp het noodlotsdrama, met oog voor ironische details, zoals een fragment waarin een van de directiejongens redeneert waarom de woorden uit de naam Nationaal Historisch Museum eigenlijk alle drie overbodig zijn. Er is hoor en wederhoor, uiteindelijk is het aan de kijker om zijn of haar conclusies te trekken. Van Erp onderstreept er de waarde mee van kapitaalintensieve journalistiek, precies hetgeen Rossi boven water tracht te krijgen in zijn Page One.


Onderwerpen: , ,


Reageer op dit artikel