Betty Boop
Een onschuldig seksicoon? Dat had je gedacht!

 photo betty-boop_03_zps9e670831.jpg

De meeste mensen kennen Betty Boop van naam, maar verder is haar oeuvre van tientallen korte tekenfilms weinig bekeken of bekend. En dat is jammer, want het stoute dametje van zwart-wit vertelt niet alleen veel over de technische ontwikkelingen binnen de animatie en de subversieve verlangens van voor de Hays Code (1934), maar verwijst ook vooruit naar andere tekenfilmhelden en striptekenaars. Haar invloed mag vooral doorgaan als van een semi-gedateerd seksicoon, maar wanneer ze aan de lachgas gaat, achterna wordt gezeten door een zwevend hoofd van Louis Armstrong en openlijk drugs aan de man brengt, is het duidelijk dat ze veel meer voorstelt dan je doorsnee tekenfilmfiguurtje.

Imago en origine

Zangeres Helen Kane stond aan de basis van Betty Boop, toen Max Fleischer ongevraagd haar imago gebruikte om er zijn nieuwe creatie naar te modelleren. Hoewel Kane bekend stond als de originele “Boop Boop a Doop Girl”, was het actrice Mae Questel die Betty Boops stem zou inspreken (als ook later de stem van Olijfje in de Popeye the Sailor Man, die tevens uit de studio van Fleischer kwam). Er kwam van Kane’s kant een rechtszaak, die zich twee jaar liet voortslepen voordat ze deze verloor. Na 1930 had Betty Boop, bijgestaan door haar sidekicks Koko de clown en het hondje Bimbo, echter al de kroon overgenomen wat betreft bekendheid, hoewel ze na de filmrestricties van 1934 ook minder gezien zou gaan worden. Haar meest bekende kenmerk was namelijk haar seksualiteit, die zich het best laat uiten onder de slagzin Don’t take my Boop Oop a Doop Away. Mag je zelf interpreteren wat dat betekent.

Rotoscoping en racisme

Beroemd is de samenwerking van Betty Boop-bedenker Max Fleischer met jazzartiesten zoals Louis Armstrong en Cab Calloway, door niet alleen de muziek in het verhaal te integreren, maar ook de zingende artiesten zelf! Deze techniek van rotoscoping, waar eerder opgenomen filmbeelden worden overgetekend, zodat er een realistisch effect ontstaat in de bewegingen van de tekenfilmpersonages, is nog steeds mooi om naar te kijken. De beroemdste is de dans van Calloway in Minnie the Moocher (1932) als een wit walrusspook, maar ook Armstrong mocht met zijn orkest aanschuiven. Het grote verschil is echter dat hij en zijn band uiteindelijk samensmelten met een groep kannibalen die Betty Boop en Koko proberen te vangen en oppeuzelen in de jungle. De integratie van racistische motieven, alles behalve een onbekend verschijnsel in het Hollywood van de jaren dertig, begint wanneer Louis Armstrong al zingend bijzonder levensecht in de nek van Koko hijgt. Bizar!

Don’t try this at home, kids!

Dat Boop nieuwsgierig is, brengt ook haar ondeugendheid met zich mee, maar dat een oude cartoon zich zo openlijk kan verliezen in drugstrips blijft nog steeds opmerkelijk. Zo neemt ze in haar eentje met Koko samen lachgas, nadat ze eerst door de tekenaar zelf achtergelaten is in haar inktpotje. Het resultaat in Ha! Ha! Ha! (1934) is een opmerkelijke combinatie van animatie en de niet getekende ‘werkelijkheid’, waar niet alleen de tekenfilmpersonages zich verliezen in een oncontroleerbare lachbui, maar ook de gehele buitenwereld; de mensen op straat, de auto’s, en zelfs de grafstenen op de begraafplaats!

Deze bijzondere combinatie van hoe animatie op een komisch niveau de echte wereld infiltreert doet denken aan Who Framed Roger Rabbit (1988), waar Betty Boop overigens een cameo heeft. Wat betreft drugs komt echter niks in de buurt wanneer Betty Boop samen met Koko en Bimbo als een kwakzalver te werk gaat door een levenselixer op straat te verkopen. De compleet absurde effecten culmineren in een climax wanneer in het laatste shot een baby in een bekend horrorpersonage transformeert.

Invloed en humor

Iets dat ook interessant is aan Betty Boop, M.D. (1932) is de invloed die zichtbaar is in de animatie op de tekenstijl van Robert Crumb. Niet alleen het drugsthema (Keep on truckin’), maar ook hoe de personages erbij lopen. Vooral het shot van de optocht waar iedereen steeds meer in de lengte uitrekt is hiervan een goed voorbeeld. Boops invloed reikt echter verder, want als er één opvolger met dezelfde soort nieuwsgierigheid en ondeugendheid aan te wijzen is, dan is het wel de gele zeebewoner die ons allen bekend is onder SpongeBob Squarepants. Zijn absurde humor, maar ook het thema en de muziek van Hawaï, zien we zeer geestig verbeeld – wederom met mooi gebruik van rotoscoping – in Betty Boop’s Bamboo Isle (1932), dat samen met Betty Boop, M.D. in mijn ogen het hoogtepunt vormt van haar onterecht vergeten oeuvre.


Onderwerpen: , , ,


1 Reactie

  1. Erik Butter

    Leuk stukje, ik hou erg van die Fleisher shorts, vooral die van Popeye en omdat ze visueel erg creatief zijn, iets wat je tegenwoordig steeds minder ziet.
    De reden waarom deze cartoons zo getekend waren in die tijd, is vooral omdat de animatie techniek daar nog erg jong was. De figuren bestonden toen vaak nog uit simpele vormen omdat die makkelijk en efficient geanimeerd konden worden. Zie bijvoorbeeld deze model sheet:
    http://www.traditionalanimation.com/wp-content/gallery/popeye/popeyemodelsheet1.gif
    Ik vind wel dat Spongebob vrij braaf is qua absurditeit in vergelijking met de Fleisher cartoons maar je ziet inderdaad wel wat inlvloeden.


Reageer op dit artikel