Deux ou trois choses que je sais d’elle (1967)
Godards Ulysses

18 augustus 2013 · · Beschouwing + Nouvelle Vague

Ook zonder de prestatie van 2 gelijktijdig opgenomen films (met Made in U.S.A. (1966)) is Deux ou trois choses que je sais d’elle misschien wel Godards meest ambitieuze film uit zijn Nouvelle Vague-periode. De dag uit het leven van (weer) een prostituee, is ook een dag uit het leven van een actrice, is een gedachtestroom van een filmregisseur, is het organisme van de metropool, is de toekomst die als een schaduw over het heden hangt, enzovoorts. Godards Bloomsday wellicht, een poging de veelomvattendheid van het bestaan op te hangen aan een onaanzienlijke dag van een Parisienne. Een poging die voor Godard, net als James Joyce met zijn Ulysses, niet kan slagen zonder een radicale, persoonlijke vorm toe te passen.

Uit de lucht vallen komt die vorm natuurlijk niet. Al vanaf À bout de souffle (1960) is ontregeling de regelmaat. Ook de thema’s van Deux ou trois choses zijn merendeels niet nieuw; met kunst, (de status van het beeld als reproductie van de werkelijkheid), politiek (de Vietnamoorlog, kapitalisme), sociologisch (de positie van de vrouw) en linguïstiek (‘taal is het huis waar de mens in woont’) hebben we de favoriete onderwerpen van de jaren 60 Godard op herhaling.

Wat mij trof is de afstandelijke, meer contemplatieve sfeer van Deux ou trois choses. Die is mede het gevolg van het definitief loslaten van een plot, en het ondergeschikter maken van personages. In plaats daarvan is de omgeving die hen omringt naar de voorgrond gehaald. De stad waar hard aan getimmerd wordt, de advertenties die voortdurend als prikkels binnenkomen, de consumptiegoederen waar naar gehunkerd wordt. Objecten zijn reëler dan mensen, zegt Godard, omdat we ze meer aandacht schenken. Die achterstelling van personages vertaalt zich in shots waar zij bijna verdrinken in hun omgeving:

En hoe kun je ontkennen dat er iets van waarheid in Godards boude stelling zit, op het moment dat je jezelf erop betrapt met je hoofd ondersteboven naar de poster aan de rechterzijde te kijken:

Die consumptiegoederen hebben een politieke lading. De Parisienne die haar lichaam verkoopt om een jurkje te kunnen kopen. Of de politieke daad die het kopen van een paar Amerikaanse schoenen bijna is. Het krijgt hier en daar absurdistische trekjes, zoals wanneer een klant van zijn prostituees een bijzonder hoofddeksel eist:

Een wel heel letterlijke uitbeelding van het vormen naar de objecten die de omgeving uitmaken. Toch zou je daar het thema mee samen kunnen vatten; hoe verhoudt de mens zich tot een steeds maar veranderende omgeving, een verandering waar hij bovendien nauwelijks invloed op heeft.

Zo op het oog los daarvan staat het tweede grote thema van deze film; hoe de werkelijkheid te vatten? Als inwoner van zo’n stad, als mens, maar vooral als kunstenaar. Taal neemt daarbij een minstens zo belangrijke rol in als beelden. Sterker nog, Godard spitst zich vooral toe op wat de effecten van het combineren van beiden zijn. Ietwat flauw misschien, fluistert hij als verteller regelmatig wat we op dat moment zien. Daarbij bewust van de onvolledigheid van de beschrijving die hij geeft én van de onvolledigheid die alleen de beelden zouden geven. In een van de beste scènes van de film beschrijft hij de filosofische problemen bij het construeren van een simpele scène in een autogarage. Deze monoloog is met name zo memorabel omdat hij hierin zeldzaam direct zijn streven als kunstenaar formuleert.

Godard stelt hierin dat het zijn doel is een wereld te creëren waar mensen en objecten in harmonie met elkaar zijn. Zowel in poëtische als in politieke zin. In het laatste shot volgt een poëtisch beeld waarin hij die harmonie vertaalt naar de gemoedstoestand van het hoofdpersonage. Harmonie; chaos en orde. Dan valt op dat beeld en geluid, mens en voorwerp, in de hele film voortdurend dan weer harmonieert, dan weer tot dissonanten leidt. De overgangsbeelden van de bouwwerkzaamheden die steevast uit twee delen bestaan: een shot met het schrille geluid van machines, en een verstild shot met gelijke beelden. Het een afstotend, het ander poëtisch. Of de flipperkast spelende mevrouw op de achtergrond bij een dialoog die voortdurend over en weer gaat. Tja, ook dat is harmonie. Soms bereikt Godard juist een harmonie door ongedachte combinaties, zoals het bekendste shot van de film: een monoloog over oneindigheid bij een beeld van een kopje koffie:


Onderwerpen: , , , ,


Reageer op dit artikel