La Roue (1923)
"Creation is a great wheel, which does not move without crushing someone."

Abel Gance kan je zacht gezegd een filmmaker noemen die even revolutionair als conventioneel te werk ging. Een tegenstelling die al snel gaat zitten in het kijken van La roue (1923), waar hij wisselt tussen baanbrekende montagesequenties en een melodrama dat dik als stroop het cyclische verhaal over verlangen en lijden dreigt te laten vastlopen. Zodra je beseft dat de film vierenhalf uur in beslag neemt – oorspronkelijk zelfs acht uur – ga je je snel afvragen of dat dit het drama ten goede komt of dat Gance te veel hooi op zijn vork heeft genomen. Desalniettemin zou hij wat betreft aanpak en speelduur zich paar jaar later overtreffen met Napoléon (1927), maar daarover morgen meer. Eerst een rondleiding in La roue, waarover Jean Cocteau eens zei: “There is cinema before and after La Roue as there is painting before and after Picasso.”

Normaal gesproken kan een film zo lang duren als nodig is wanneer de spanning en verrassing in het plot de aandacht weten vast te houden. We zien sinds een aantal jaar weer de opkomst van het serieuze tv-drama in serieformaat, waar gemakkelijk tien uur per seizoen wordt gehaald. Ook de vroege stomme film heeft eens die weg uitgeprobeerd door onder andere Louis Feuillade met zijn ‘serials’ Les Vampires (1915) en Fantômas (1913). Ook in Amerika zag je Erich von Stroheim in deze periode zijn studiobazen tot wanhoop drijven met torenhoge productiekosten en lengtes die alle spuitgaten uitliepen. Een tweede kenmerk was dat deze lange speelfilms een zeker realisme nastreefden met veel op locatie geschoten beelden waarmee werd getracht een geleefde werkelijkheid te creëren waarin de filmkijker zich in kon verliezen als het ware een vuistdikke roman uit de negentiende eeuw. Denk aan een combinatie van Balzac, Tolstoj, Hugo en Zola en je komt al een heel eind.

La roue laat zich door deze invloeden al snel definiëren als een romantisch melodrama pur sang. Het eerste uur kent een razendsnelle start met een groot treinongeluk waar Sisif (Séverin-Mars), een lokale treinmachinist, de wees Norma (Ivy Close) uit een treinwrak redt en haar met zijn zoontje van dezelfde leeftijd opvoedt als zijn eigen dochter. We maken een sprong in de tijd en op volwassen leeftijd zijn Norma en haar broer Elie (Gabriel de Gravone) onafscheidelijk van elkaar, ondanks dat Sisif hen nooit verteld heeft over Norma’s herkomst. Ten slotte verschijnt Jacques de Hersan (Pierre Magnier) op toneel, een gewiekste zakenman die een oogje heeft op Norma. Wanneer hij erachter komt dat zij niet Sisifs eigen dochter is, sterker nog, dat Sisif zelf ook verliefd is geworden op de ‘mooie benen’ van Norma, dan zijn de rapen gaar. Het plot is verwonderlijk te noemen doordat het uiteindelijk draait om een een flink incestueuze ménage à trois binnen de familie, want zelfs Elie verliest zijn hart aan Norma wanneer het bedrog naar buiten komt. Wat betreft subversiviteit is ook Norma’s introductie er een eentje om in te lijsten: provocatief in drag met snor en al, een kunstje dat Jeanne Moureau veertig jaar later in Truffauts Jules et Jim (1962) opnieuw zou flikken.

Het rampspoeddrama is doorspekt met symbolische verwijzingen naar Griekse mythen, zoals bijvoorbeeld de naam van Sisif een niet te missen verwijzing is naar koning Sisyphos, die, gestraft door de goden, zijn hele bestaan een groot, rond rotsblok een berg moest opduwen voordat deze weer naar beneden viel. Ook tijdens de titelkaarten zien we bovenaan een man die aan een draaiend rad gefolterd wordt. In de beeldtaal is de ronde vorm moeilijk te missen met als rode draad de ijzeren wielen van Sisifs stoomlocomotief waarmee hij herhaaldelijk het noodlot tart. Je kunt de vicieuze cirkel het beste samenvatten met het boeddhistische ‘samsara’, de cyclus van dood en wedergeboorte zonder begin en einde waarin onophoudelijk lijden centraal staat. Ligt de symboliek er echter niet vreselijk dik bovenop? Zeker, daar ontsnapt La roue niet aan, maar de menselijke hartstochten en angsten blijven niet minder fascinerend om naar te kijken en zeker de eerst helft slaagt hierin. Dat Gance zijn vrouw tijdens de productie op sterven lag, had ongetwijfeld ook invloed op de zwaarmoedige thematiek.

Toch zit de grote kracht niet in het drama, maar des te meer in het formele aspect van de film. Hier schittert Gance namelijk als begiftigd montagekunstenaar, die nog voordat de Russische montageschool zijn faam maakte, een ritme en ruimtelijkheid creëert waar je ‘u’ tegen zegt. De wanhopige emoties die hij in een aantal scènes met het noodlot laat samensmelten lijken hetzelfde aantal ‘cuts’ te hebben als de hartslag van iemand die de dood in de ogen kijkt. Ook het gebruik van close-ups en superimposities (meerdere beelden over elkaar heen), alsmede het maskeren van de beelden door bijvoorbeeld alleen het treinspoor te laten zien, zijn telkens sterk gevonden. Het is jammer dat de film na zijn beroemde climax in de bergen nog ruim een uur te tijd neemt voor een overbodige afwikkeling en dat blijft toch wel het euvel van La roue: met de ene been staat het nog in een langgerekte, theatrale traditie, met het andere been breekt het alle formele filmwetten. Kortom, een klassieke hink-stap-sprong.

Hieronder nog een interessante videoanalyse van Kristin Thompson (spoilers):


Onderwerpen: , , ,


Reageer op dit artikel