salonindien.doc: introductie themamaand
Mijmeringen over de aantrekkingskracht van de documentaire

7 november 2013 · · Beschouwing + salonindien.doc

In filmtheoretische boeken is het genre stiefmoederlijk bedeeld: de documentaire. Natuurlijk, veel van de eerste cinematografische probeersels zou je documentaires kunnen noemen: registraties van de werkelijkheid. In een historisch overzicht wordt deze vorm al snel voorbijgestreefd door de fictiefilm, waarna er hooguit wat ruimte overblijft voor stromingen als direct cinema en cinema verité. Heel verwonderlijk is dat niet, voor een genre waarbij de inhoud doorgaans van veel groter gewicht is dan de vorm. Stilistische principes zijn bovendien minimaal zo goed aan de hand van (bekendere) speelfilms te illustreren. Voor veel filmkijkers is de documentaire desondanks een onmisbaar element in het filmlandschap. Traditioneel is november de maand waarin het die erkenning krijgt; als het IDFA weer van start gaat. In de slipstream daarvan zal ook Salon Indien deze maand in het teken staan van de documentaire.


Natuurlijk zal de hoofdmoot bestaan uit een verslag vanaf het festival zelf, dit jaar van 20 november tot 1 december. Het festival is doorgaans aanleiding tot geïntensiveerde aandacht voor de documentaire op televisie. In een tijd waarin de mogelijkheden via internet onbegrensd zijn, is juist voor dit genre een kompas als de televisie waardevol. De wereld van de documentaire is beduidend minder inzichtelijk dan die van de speelfilm of de televisieserie. Programma’s als Close Up, Het Uur van de Wolf en Holland Doc filteren er zeer behoorlijk de kwaliteit uit. Twee van dergelijke pareltjes zal ik morgen bespreken.

De vraag waarom de aandacht voor de documentaire verdiend is, is daarmee nog niet beantwoord. Kwalitatief doet de documentaire voor mij zeker niet onder voor de speelfilm. Niet voor niets wordt plaats 2 in mijn lijst van favoriete films al jarenlang ingenomen door een documentaire: Gimme Shelter (1970). Ik denk dat de aantrekkingskracht ten opzichte van de speelfilm schuilt in het doorbreken van het hermetische van fictie. Ontsproten aan het brein van, meestal, één filmmaker, is fictie een illusie die ook nog eens beperkt is door diens fantasie. Hoe wild die ook is. De documentaire begint óók bij de creativiteit van de filmmaker, maar gaat een wisselwerking aan met de werkelijkheid.

Dat laatste is om twee redenen een belangrijk gegeven. Ten eerste krijgt toeval daarmee een rol van betekenis, één die het in de speelfilm hoegenaamd niet heeft. Met name in de direct cinema is het toeval van cruciaal belang voor het wel of niet slagen van een documentaire. Voor hetzelfde geld was het concert op Altamont Speedway niet doorgegaan en hadden we in Gimme Shelter enkel wat geploeter van de Stones in de studio gezien. Aanmerkelijk minder interessant. Die afhankelijkheid van de realiteit, maakt de realiteit heel aanwezig; heel voelbaar. Ik ben er van overtuigd dat dit de betrokkenheid van de kijker groter maakt dan bij een fictiefilm ooit mogelijk is.

Dat heeft natuurlijk ook te maken met reden twee: de vertelling grijpt terug op iets wat echt plaats heeft gevonden. Ik bedoel niet zo zeer het sentiment dat realiteitswaarde meeleven eenvoudiger maakt dan een verzonnen verhaal, zoals een ‘op ware gebeurtenissen gebaseerd’ verhaal sympathieker zou moeten zijn dan complete fictie. Nee, waar ik op doel is goed te zien in bijvoorbeeld documentaires over kunst. Een kunstenaar wordt belicht, of de creatie van een kunstwerk. Onderwerpen die van zichzelf een informatieve waarde hebben, en de kijker daarmee a priori al dan niet zullen boeien. Dat is een verschil met de fictiefilm, die in principe nooit een intrinsieke waarde op basis van het onderwerp heeft; die wordt werkelijk door de maker bepaald. Het is daarom nog wel eens moeilijk om kwaliteit van het onderwerp en de kwaliteit van de documentaire(vorm) te scheiden. Is een documentaire goed omdat het onderwerp an sich boeit, of omdat de vorm er méér van maakt?


Onderwerpen: , , ,


Reageer op dit artikel