The Man Who Wasn’t There (2001)
Broederliefde: de films van Joel en Ethan Coen (9)

The Man Who Wasnt There

Yesterday, upon the stair,
I met a man who wasn’t there
He wasn’t there again today
I wish, I wish he’d go away…

Hughes Mearns – Antigonish.

Het ding met kwantummechanica is dat hoe meer je inzoomt op de wereld, hoe onduidelijker deze wordt. Wanneer je dingen gaat bekijken op het niveau van deeltjes, blijkt dat enkele van onze percepties helemaal niet vast blijken te staan. Een voorbeeld daarvan is het Heisenberg principe, een principe dat letterlijk genoemd wordt in The Man Who Wasn’t There (2001). Het Heisenberg principe stelt dat wanneer je de snelheid van een deeltje met precisie vasstelt, dat dan de plaats onduidelijk zal zijn. Hoe preciezer je de plaats van een deeltje bepaalt, hoe onduidelijker de snelheid zal zijn. Door het vasstellen van het een wordt de begrijpbaarheid van het ander beinvloed. Het is een principe dat ten grondslag ligt aan The Man Who Wasn’t There en het hoofdpersonage: hoe meer men inzoomt op de daden van Ed Crane, hoe onduidelijker de situatie wordt, en hoe onduidbaarder zijn daden worden. Hij is de ideale muurbloem: zodra men ook maar aandacht aan hem besteed zal hij nog meer opgaan in zijn omgeving. Hij is de man uit het gedichtje waar de film zijn titel aan ontleent: hij is daar, en hij is niet daar.

Religie vs. Wetenschap

De film gaat eigenlijk over existentie, en dan voornamelijk de existentiële crisis van Ed Crane. Met een droge (is het misschien zelfs sarcastische?) voice over observeert Ed Crane alles om hem heen en grijpt zelfs rigoureus in, zonder dat men ook maar een keer vermoed dat hij achter de moorden en de afpersingen zit. Als hij eenmaal gepakt wordt is niet zijn schuld meer onduidelijk, maar het waarom. Als kijker weten we, voordat hij gepakt was, waarom het uit de hand heeft kunnen lopen, maar voor justitie is het compleet onduidelijk. Wanneer advocaat Riedenschneider probeert Ed vrij te pleiten op basis van zijn existentiële problemen, werkt dat enkel averechts. Hoe chaotischer, en minder duidelijk en grijpbaar Ed Crane wordt voor de jury, hoe meer zij zijn bloed willen drinken.

Existentie en de chaos van het leven is dus de inzet van de film, en een van de manieren waarop deze crisis benadert wordt is vanuit de exacte wetenschap. Het Heisenberg principe is niet voor niets toe te passen op vrijwel de gehele plot. Maar ook religie komt langs als een visie op de menselijke existentie. Aan het einde van de film, wanneer Ed Crane richting de dodencel wordt geleidt, vraagt hij zich af of het leven grijpbaarder zal zijn “when the fog blows away”. Hij parafraseert hiermee 1 Korintiërs 13:12, een tekst die in wezen gaat over de Judeo-Christelijke visie op het hiernamaals:

“Nu kijken we nog in een wazige spiegel, maar straks staan we oog in oog. Nu is mijn kennen nog beperkt, maar straks zal ik volledig kennen, zoals ik zelf gekend ben”.

Het is niet voor niets dat de laatste scène erg doet denken aan Christelijke doctrines. De electrische stoel wordt, net als in Nick Cave’s fantastische The Mercy Seat, bijna neergezet als een hemelse troon: een stoel midden in een spierwitte ruimte waar getuigen toekijken aan de zijkant. De mensen die Crane naar de stoel begeleidden zijn priesters en zijn ketens worden voor hij gaat zitten afgedaan. Een hemelse, religieuze bevrijding. Het scheren van de benen waar de elektroden komen te zitten, verwijzen niet enkel naar een scène aan het begin van de film waar Ed hetzelfde doet bij zijn vrouw Doris, maar ook naar de voetwassing van de discipelen door Jezus (Johannes 13:1-17). Een dienstbaarheid die erg Christelijk van aard is.

Ed Vs. The Flying Saucers

Het raakvlak van religie en wetenschap wordt ook gerepresenteerd door middel van verwijzingen naar een bepaalde tak genre-film. Niet alleen is de film namelijk een ode aan de film-noir, het is also een ode aan de jaren vijftig science fiction film met een aantal fikse verwijzingen naar Aliens. Niet alleen zien we enkele parafernalia rondom buitenaardse wezens, ook een aantal personages hebben “close encounters”. Aliens zijn in de film als het ware het antwoord op de existentiële crisis van Ed Crane: hij beseft zijn plaats in het universum en aanvaard deze, wanneer hij het buitenaardse ruimteschip ziet:

“…Well, it’s like pulling away from the maze. While you’re in the maze you go through willy-nilly, turning where you think you have to turn, banging into dead ends, one thing after another.. …But get some distance on it, and all those twists and turns, why, they’re the shape of your life. It’s hard to explain …But seeing it whole gives you some peace.

De Aliens zijn als het ware de wetenschappers van een geavanceerde civilisatie die wel het overzicht hebben, die ons van boven af beschouwen, alsof we mieren zijn. De christelijke link met aliens lijkt minder evident, maar is er toch echt. De vrouw van de door Ed Crane vermoorde Big Dave ziet er niet voor niets uit als een Jehova’s getuige die aan de deur komt om het goede nieuws te vertellen: geen mens is schuldig aan de dood van Big Dave maar buitenaardse wezens. De ontmoeting van Ed Crane met het ruimteschip is dan weer een verwijzing naar een bijbelverhaal. Ed Crane wordt ’s nachts wakker, in zijn gevangeniscel en ziet dat de deuren open staan. Ook de deuren van zijn blok staan open, net als de binnenplaats. Wanneer hij op de binnenplaats is aangekomen ziet hij het ruimteschip, krijgt zijn existentiële inzicht en loopt terug naar zijn cel. Het is een versie van een verhaal in het bijbelboek Handelingen Der Apostelen 12:3-19, waarin de apostel Petrus bevrijd wordt uit de gevangenis door een engel, die eveneens alle deuren voor hem opent. De laatste zinnen van de film gaan duidelijk over het hiernamaals, waarin we volgens Ed een nieuwe visie zullen hebben op wat hier onduidelijk was. Oftewel, in The Man Who Wasn’t There is de aarde een speelterrein van onzekerheden, wetenschappelijk, spiritueel en existentiëel. Een blik van buitenaf, op welk van de drie terreinen ook, zal nodig zijn, maar is nog door geen mens gevonden. En de enige die werkelijk dichtbij kan komen, de mensheid kan duiden, is de buitenstaander: The Man Who Wasn’t There.

The Man Who Wasnt There 2


Onderwerpen: , , , , , , , ,


5 Reacties

  1. Arjen

    And the flapjacks, honey. Ligt het aan mij of wordt deze film bijna nooit genoemd wanneer men het over de Coen Borthers gaat? Ik vind het juist de beste van de broers. Zoals altijd zijn de personages weer geniaal (vooral ook Riedenschneider, die moet zichzelf echt een genie vinden). Wat vind je van de versie in kleur Theo?

  2. Theodoor Steen

    Hij wordt inderdaad té weinig genoemd. Hij staat op twee in mijn Coen Brothers top 10: 1. A Serious Man, 2. The Man Who Wasn’t There, 3. Barton Fink.

    De versie in kleur heb ik nooit gezien, maar ik kan me niet voorstellen dat dat beter werkt dan in zwart-wit. Juist de associaties met de film-noir en fifties B science fiction werkt zo goed, en het diepte contrast en lichtverschillen komen ontzettend sterk naar voren in zwart-wit. Harde schaduwen zwakken toch af in kleur.

  3. Kaj van Zoelen

    Maar noir is meer dan alleen belichting. Heb Blood Simple. toch altijd als meer puur noir ervaren dan deze. En mogelijk toevallig ook een fijnere film. Niks tegen The Man Who Wasn’t There, maar hij komt in mijn Coen lijstjes toch altijd in het midden te staan.

  4. Arjen

    Uiteraard is de zwart-wit versie de beste versie, zo was het oorspronkelijk bedoeld. Maar die in kleur is ook wel eens leuk om te kijken voor de afwisseling. De kleuren zijn heel zacht, alsof ze flink zijn teruggedraaid, het geeft zo’n fifties gevoel.

    Over The Man Who Wasn’t There als noir: thematisch is ie toch ook wel noir, toch niet alleen qua vorm?

  5. Kaj van Zoelen

    De grap is natuurlijk dat de film in die kleurversie is opgenomen en daarna bewerkt naar zwart-wit. Daarbij was het dan weer niet echt de bedoeling dat die kleurversie per se zou op een ander medium nog een keer zou uitgebracht worden, dacht ik.

    Meer dan stijl of vorm is noir een gevoel, een sensibiliteit… en Blood Simple is in die trant echt puur noir, waarin de Coens hun eigen sensibiliteit en stijl nog aan het ontwikkelen zijn, terwijl The Man Who Wasn’t There veel meer als een typische Coen film aanvoelt voor mij. Vandaar. De personages, de dialogen, de Deakins, etc. En hoezeer ik ook van hun films doet Blood Simple dan toch meer voor mij, misschien juist omdat je daar al het begin van alles in kan zien, maar het toch nog anders is… ik weet niet of dit nog logisch klinkt?


Reageer op dit artikel