Vijf hindernissen van de Nederlandse cinema

“In Nederland is altijd kritiek op de bondscoach van het Nederlandse elftal, op de presentator van Zomergasten en op de minister-president,” zei toenmalig premier Jan Peter Balkende ooit. Desgewenst had hij aan die opsomming van pispalen toe kunnen voegen: de Nederlandse cinema. Legio zijn de (voor)oordelen, waarbij zelfs de minder geïnteresseerde filmkijker die nooit verder kwam dan Turks fruit (1973) en Dick Maas prima meent te weten wat er allemaal schort aan ons nationale filmproduct.

Om gelijk maar uit de kast te komen; voor mij slaat de balans van de Nederlandse cinema ten positieve uit. Alleen al het grote aantal sterke Nederlandse films dat ik ken is reden genoeg om het kind niet met het badwater weg te willen gooien. Daarover de volgende themaweek meer. Toch heeft de Nederlandse cinema voor mij bij lange na niet een zelfde status als veel andere Europese filmlanden. Nederlandse films zie ik bij toeval, omdat ze op tv vertoond worden. Niet omdat ze speciaal mijn belangstelling wekken. Vijf willekeurig geordende hindernissen die me ervan weerhouden me vol overgave op deze ‘uithoek’ van de cinema te storten.

Gebrek aan filmhistorie

Zelfs volgens het vermeend neutrale Wikipedia begon de Nederlandse speelfilm pas vorm te krijgen met Fons Rademakers, en duurde het nog tot de jaren 70 voordat de speelfilmproductie een behoorlijke omvang kreeg en bestaansrecht verwierf. Wikipedia meldt netjes alle (?) speelfilms die ooit gemaakt zijn. Met een productie van, nu, enkele tientallen films per jaar kan dat ook prima. Het geeft aan hoe overzichtelijk het filmhistorisch landschap is. In een weekendje kun je met een rondje langs de belangrijkste filmmakers, of het afwerken van de Nederlandse canon, een redelijk compleet beeld krijgen. Na die kennismaking met de mijlpalen volgt bij eventuele verdere interesse, vrees ik, al snel vergeten en verguisde cinema. Een onderdompeling in equivalenten van het Italiaanse Giallo of neorealisme, de Franse Nouvelle Vague, Duits Expressionisme, of de Russische periode van dooi, zit er bij lange na niet in.

Platvloers

Meest gehoorde kritiek is, natuurlijk, de voorliefde voor seks en gevloek in de Nederlandse film. In de 5 films die ik afgelopen weekend zag ter voorbereiding op deze themaweken, was 4 maal expliciet naakt aanwezig, en scoorde ook grof taalgebruik 4 maal. Of dat meer of minder is dan andere filmlanden, geen idee. Punt is dat het in Nederlandse films sneller op lijkt te vallen. Ik vermoed dat in de jaren 70 de toon gezet werd, waarbij vrijgevochtenheid wellicht belangrijker was dan functionaliteit. Inderdaad, de 2 oudste films die ik zag, Grijpstra & de Gier (1979) en Hoge hakken, echte liefde (1981) zijn niveautje vulgair, zonder de brille van een al even vulgaire Paul Verhoeven. Het lijkt de puberale fase van de Nederlandse film; nu ontgroeid is het allang gedateerde hap.

Artificieel

Moet ik nog over de onverstaanbaarheid van Nederlandse films beginnen? Ja, zeker in de jaren 70 en 80 was die een ramp, en ja, het is in dat opzicht een zegen dat Nederlandse filmmakers tegenwoordig af en toe een Engelstalige film maken. Meer nog dan het gemompel en gefluister, ergert me eigenlijk de dictie van acteurs. Het is eerder regel dan uitzondering dat die bepaald houterig is, alsof er op toneel geacteerd wordt. Bij Code Blue (2011) heb ik me zelfs afgevraagd of Urszula Antoniak een Bressoniaans vervreemdingseffect beoogde, zo lachwekkend stijf werd de (gelukkig spaarzame) dialoog voorgedragen. Nu is kunstmatigheid artistiek best een pré, maar als uitgestraald wordt dat wel degelijk enige natuurlijkheid de bedoeling is, kun je beter van gekunsteldheid spreken. Of geklungel.

Gebrek aan artistiek lef

Als het op Nederlandse cinema aankomt, ontpopt zich de belastingbetaler in de Nederlandse kijker. Dan is een slechte film niet alleen een slechte film, maar een klap in het gezicht van het Nederlandse volk, zonder wiens hulp deze productie niet mogelijk was. Mede tegen die achtergrond was van het al genoemde worpje films Brownian Movement (2010) de grote revelatie voor mij. Dit is een artistieke film die de kijker durft te beproeven, zelfs te provoceren. Natuurlijk worden er ook onafhankelijke films gemaakt die buiten de traditionele wegen van financiering en bijkomende belangen, grenzen durven op te zoeken. Brownian Movement is echter van een andere omvang en allure, en toch min of meer binnen het systeem gemaakt. De lef om iets zo eigengereids te maken nam me voor de film in, en deed me tegelijk beseffen dat dit soort films te weinig gemaakt worden. Nederlandse cinema wil teveel behagen.

Politieke correctheid

Voortbordurend op het vorige knelpunt, wordt er niet alleen artistiek te weinig tegen de haren van de kijker ingestreken, maar ook thematisch. Theo’s polemiek tegen Sonny Boy (niet door mij gezien overigens) is hier exemplarisch voor. Grote maatschappelijke problemen worden volgens voorspelbare lijn uitgewerkt, waarbij iedereen het er over eens kan zijn wat goed is en wat fout. Prikkelende tegenstellingen zijn er nauwelijks, ambivalentie komt in de filmvocabulaire weinig voor. Aan de Nederlandse aard zal dat toch niet liggen, in onze literatuur bijvoorbeeld zijn genoeg ‘grijstinten’ waar te nemen. Ook hier zal de oorzaak vermoedelijk vooral bij het financiële belang liggen; liever geen risico’s en liever geen afbreuk aan dramatische impact door nuances aan te brengen.


Onderwerpen: , , , ,


1 Reactie

  1. Verhoeven

    Allereerst fijn stuk tekst. Kan me er grotendeels in vinden. Alleen begrijp ik nooit die vergelijkingen met andere landen:

    ”Een onderdompeling in equivalenten van het Italiaanse Giallo of neorealisme, de Franse Nouvelle Vague, Duits Expressionisme, of de Russische periode van dooi, zit er bij lange na niet in.”

    Wijs ons eens aan op de wereldkaart?

    http://poster-posters.nl/images/rb_146321.jpg

    Wij zijn zo’n klein land dat we niet al te veel moeten eisen. We mogen al blij zijn dat we zoveel auteurs hebben gehad. Van Joris Ivens tot en met nu Nanouk Leopold. Daarbij staan wij heel hoog aangeschreven als het gaat om documentaires (IDFA) en kinderfilms. Héél hoog.

    Dat gebrek aan Filmhistorie komt ook deels dat er nog zoveel achter slot en grendel zit. ”Het Gangstermeisje” (1966 | Frans Weisz) werd heel slecht uitgegeven door het Filmmuseum toendertijd. Nog steeds geen DVD van. Hetzelfde geldt voor ”Een Carmen van het Noorden” (1919 | Maurits Binger en Hans Nesna) die gerestaureerd en al alleen op NFF heeft gedraaid. Krankzinnig gewoon.

    Het enige Instituut die we hebben doet barweinig voor de Nederlandse Cinema. Daar moet eens goed over nagedacht worden hoe dat veranderd kan worden. Want iedere keer een ‘klassieker’ van Verhoeven uit de la trekken begint eentonig te worden en geeft een verkeerd beeld van ons veelzijdige Filmhistorie.


Reageer op dit artikel