Dodenliederen (1): War Requiem (1989)
Over esthetiek en de dood.

13 oktober 2014 · · Salon Mort

War Requiem

Het is een vraag die me bezig houd sinds het zien van Brozer (2014): hoe breng je zoiets intiems en afschuwelijks als de dood in beeld? In het geval van Brozer werd er gekozen om het sterproces van actrice Leonoor Pauw tot het einde te volgen, en dit omvatte ook het filmen van het gestorven lichaam van Leonoor. Het was een keuze van Mijke de Jong die enige controverse veroorzaakte, en niet ieder vond het ethisch verantwoord om een echte gestorvene in beeld te brengen. Nu is de vraag sowieso hoe je een taboe-onderwerp als de dood een onderwerp kan maken van een kunstwerk, want de dood is niet meteen het toppunt van esthetiek, en juist een romantisering van de dood kan ethisch soms gevoelig liggen.

Om de verschillende raakvlakken tussen de dood en kunst, in het kader van de themamaand, te beschouwen besloot ik een klein experiment aan te gaan: ik koos voor vier films die, in hun titel besloten, raken aan de dood en kunst. Namelijk vier films die een synoniem voor dodenliederen, de esthetische klaagzang over een overledene, in woord als onderdeel van hun titel hadden. Een film met requiem, threnody, lament, elegy, dirge, etc in de titel. De films, allen bewust niet eerder gezien, moeten, afgaande op hun titel, wel de dood in thema behandelen, en bevatten logischerwijs ook een muzikale of kunstzinnige noot. Wat zouden de film zeggen over de dood? Wat over kunst? En zouden de films een antwoord kunnen geven op de moeilijkheid hoe de dood in beeld te brengen?

De eerste titel die ik keek voor het experiment was War Requiem (1989) van Derek Jarman. Een film die zeer bewust zich begeeft op het vlak van de podiumkunsten. De film is dialoogloos, maar bevat wel tekst in de vorm van een opera van Benjamin Britten van dezelfde naam. Benjamin Britten’s War Requiem werd geschreven voor de herinzegening van de Coventry Cathedral, die beschadigd werd in bombardementen tijdens de tweede wereldoorlog, en later herbouwd. In het muziekstuk wisselen passages uit de traditionele Rooms-katholieke dodenmis, in het Latijn, zich af met teksten van de in de eerste wereldoorlog omgebrachte oorlogsdichter Wilfred Owen. War Requiem bind religieuze herdenking samen met de Tweede Wereldoorlog door middel van de plaats van opvoering, en verbind deze met de Eerste Wereldoorlog door middel van de personen achter de teksten. Daarmee word War Requiem een groot statement over oorlog in het algeheel, wat al uitgedrukt word door de alomvattende titel.

Grootste thema’s dus, waar Derek Jarman nog een visueel uitbundige symboliek aan toevoegt. In de veelal theatrale beelden haalt Derek Jarman de symboliek inherent aan thema’s als religie en oorlog naar voren, en verbindt ze op treffende wijze. De Bijbelse anekdote waarin Aartsvader Abraham zijn zoon Isaak moet offeren, wordt bijvoorbeeld een visuele metafoor voor de opoffering van de toekomst van het Britse volk. In de Bijbels anekdote staat Isaak voor de gehele toekomst van het volk van de Israëlieten, de enige doorzetting van de bloedlijn van God’s oogappel Abraham. Wanneer God aan Abraham vraagt om Isaak te offeren, bij wijze van test, gaat Abraham hier mee door, tot God daarvoor in plaats Abraham een ram geeft om te offeren, die verstrikt zit met zijn horens in een doornstruik op de offerplaats. In War Requiem worden de loopgraven de offerplaats, waarbij de ram verstrikt raakt met zijn horens in het prikkeldraad. Een treffend en origineel beeld, maar ook dermate bombastisch, in combinatie met de even aanwezig muziek, dat de uitdrukking “overdaad schaadt” in gedachten opdoemt.

Dat is het grote probleem wat ten grondslag ligt aan War Requiem, en waarschijnlijk aan veel kunst over de dood in het algemeen: wanneer je een groot thema als de dood aanpakt, en deze omzet in beeldtaal, dan ligt het gevaar op de loer van een té esthetische benadering, waarbij de werkelijkheid gereduceerd word tot grijpende symboliek. De benadering van de dood in War Requiem is prachtig, en groots, en overdadig, en weelderig. Het heeft echter weinig meer te maken met de rauwe realiteit van de dood.

In War Requiem verworden de slachtoffers van de vele oorlogen slechts tot een middel voor Derek Jarman om Grote Thema’s in Grote Beelden te vangen. De beelden doen denken aan kerkelijke iconografie, ook een poging om “Het Hogere” te vangen in pracht en praal. Protestanten en orthodoxe christenen lieten zich in het verleden wel eens verleiden tot een beeldenstorm, uit protest tegen de vermeende ontheiliging van het goddelijke, het ongrijpbare, door deze in kunst proberen te vangen. Ondanks dat ik me normaliter niet kan vinden in de vroegere calvinistische opvattingen over kunst (en ik ver sta van het algehele wantrouwen tegenover het grote gebaar, in de nog steeds ietwat calvinistische Nederlandse cultuur), kon ik, bombastliefhebber pur sang, me ook niet ontworstelen aan het idee dat Jarman zijn doel voorbij schiet. Het ongrijpbare, in zijn geval niet God maar De Dood, blijkt in pracht en praal veel van de zeggingskracht te verliezen.

De dood is een interessant thema omdat we deze niet willen kennen. We willen niet geconfronteerd worden met ons lichamelijke verval, en uiteindelijke staat van niet zijn. Een kunstvorm als film, die juist stoelt op het zichtbaar maken, heeft dus sowieso een dilemma qua vorm. Jarman richt zich dan ook meer op de kunst, het zichtbare, dan op de dood, het ongrijpbare. Wanneer we dood zien in zijn film, is deze gereduceerd tot een dans; een choreografie tussen dood en leven, en waarbij het vloeiende bloed van een karmozijnrood is waar schilders en dichters inspiratie door zouden krijgen. Met de realiteit heeft het niets meer van doen. Zelfs de echte beelden die Jarman door de film heen snijd worden door de montage een esthetische beeldenstroom in een bijna prettig ritme. De slachtoffers verworden tot een glad gemonteerde afwisseling van verschillende soorten filmstock, eerder gekozen op hun compositie en korrel, dan op hetgeen wat ze uitbeelden. Het staat haaks op de werkwijze van Mijke de Jong in Brozer, waarbij de dood het uiteindelijk van de fictie overneemt, en we geconfronteerd worden met onze tijdelijkheid op een manier die nog lang blijft doorspoken in het hoofd.

Ik wil aan dit eerste experiment nog geen conclusie verbinden over de vraag hoe de dood in kunst te vangen, maar ik zie twee werkwijzen met elk hun voors en tegens. Aan de ene kant het grimmige realisme van Mijke de Jong, waarbij fictie het onderspit delft en we overblijven met een confrontatie met onze diepste angsten en verdriet. Een werkwijze die dergelijk confronterend is dat deze niet zonder controverse ontvangen wordt. Aan de andere kant de werkwijze van Jarman, waarbij fictie het wind van de dood, en de gruwel geësthetiseerd wordt tot de grootste, kosmische schaal, en ondanks de pracht en praal elke menselijke dimensie verloren gaat. Het is realiteit versus fictie, rauw en persoonlijk versus esthetisch en iconisch. Ik hoop in de komende weken nog een gulden middenweg tegen te komen, maar ik vraag me af of deze wel makkelijk te vinden is.


Onderwerpen: , , , , , ,


Reageer op dit artikel