Het licht in de duisternis
Het IFFR 2014 volgens Peter Cornelissen

7 februari 2014 · · Filmfestival + IFFR 2014

Mein blindes Herz

Hoe te beginnen een gigantisch evenement als het IFFR samen te vatten? Er zijn genoeg invalshoeken te vinden. Zoals het overkoepelende thema van het Spectrum onderdeel over de staat van Europa. Binnen een bijna twee weken durende onderdompeling in de meest recente (art-) cinema uit de hele wereld, is er bij mij echter weinig ruimte voor een sociaal debat. Bovendien spraken de meeste films binnen dit thema me maar weinig aan. Dan is er nog de Tijgercompetitie, die als doel heeft ook beginnende filmmakers een kans te geven binnen de hevige concurrerende wereld van de internationale festival competities. De selectie was dit jaar een stuk minder spannend dan die van vorig jaar, en ook uit de verhalen om me heen bleek dat de competitie dit jaar tegenviel.

Bij de film die me zowel van te voren als achteraf het meeste aansprak, Mein Blindes Herz, bleken de meningen echter zodanig uiteen te lopen dat de film ook de selectie van de “dag van de dwarse film” haalde, die op de laatste dag van het festival in EYE gehouden werd. Regisseur Peter Brunner leerde het vak van Michael Haneke en lijkt me ook wel beïnvloed door landgenoot Ulrich Seidl; alleen al als het gaat om het aanpakken van controversiële onderwerpen. Hij refereert ook aan de Wiener Aktionisten (Brus komt voorbij op een poster en een enkele scene met etenswaren doen aan Muehl denken, al blijft het relatief beschaafd). Eigenlijk gaat hij een beetje tussen deze Oostenrijkse voorlopers inzitten met tegelijkertijd een heel gestileerde en heel intuïtieve aanpak.

Waar Mein Blindes Herz me uiteindelijk nog het meest aan doet denken zijn echter de compromisloze films van Artour Aristakisian en vooral ook Yutaka Tsuchiya. Het mist nog een beetje de rauwe ‘boosheid’ van deze twee, doordat het op sommige momenten eigenlijk té gestileerd is. Een aantal ideeën, zoals een kort shot van de aanslag op de Twin Towers, blijven hierdoor teveel op zichzelf staan. Ook ging Tsuchiya’s GFP Bunny veel verder in zijn onderzoekingen naar hoe het menselijk lichaam, en de eventuele ‘afwijkingen’ daarvan, een persoon en de rol van een persoon in de maatschappij bepalen. Maar daarmee is Brunners film niet gelijk oppervlakkiger wat mij betreft. De gedurfde mix van poëtische en transgressieve elementen werkt goed en geeft blijk van een eigenzinnige visie. Ook technisch zit het meer dan goed. Zo zit er onder andere de mooiste timelapse-sequentie sinds Blue Spring verscholen in het arsenaal aan visuele vondsten. Deze jongen is dus zeker een belofte voor de toekomst.

Cherry Pie

Dat brengt ons bij de volgende invalshoek. Hoe was het gesteld met de nieuwe ontdekkingen en degenen uit de vorige edities die nu terug waren met een nieuwe film? Hier draait het wat mij betreft helemaal om bij het IFFR en het grootste deel van mijn selectie bestaat ook uit films die hier onder vallen. Eén van de nieuwe ontdekkingen, die zeker ook niet had misstaan in de Tijger-competitie, was Cherry Pie van de Zwitser Lorenz Merz. Deze film is eveneens zeer zelfverzekerd qua stijl en technisch van hoog niveau. Vooral het complexe en vaak zeer subtiele geluidsdesign valt op.

Dat helpt niet alleen om de gemoedstoestand van de door Lolita Chammah (ook één van de ontdekkingen van het festival wat mij betreft) gespeelde hoofdpersoon Zoé voelbaar te maken, maar zet ook de meer magisch-realistische elementen van deze roadmovie kracht bij. Zodat bijvoorbeeld de poëtische versmelting van Zoé met een suïcidale Russin op een verder totaal verlaten kanaal ferry volledig ‘klopt’ in het verhaal. Deze passage in de film behoort tot het meest indrukwekkende dat ik zag op het festival. De film als geheel maakte helaas net wat minder impact, zeker ook door de onbevredigende laatste scene, maar Merz is een tweede naam om in de toekomst op te letten.

Van vier filmmakers waar ik eerder een debuut zag, mocht ik deze keer een tweede film proberen, met wisselend resultaat. The Ugly One van Eric Baudelaire is een fictieve tegenhanger van zijn eerdere documentaire. De Australische documentairemaker Amiel Courtin-Wilson had dit jaar na Hail een tweede speelfilm af, die de titel Ruin kreeg. Ook Nawapol Thamrongrattanarit maakte op basis van een bestaande bron, tweets van een willekeurig gekozen persoon, fictie met af en toe behoorlijk absurde uitspattingen onder de titel Mary Is Happy, Mary Is Happy. En volledig absurd en onwerkelijk werd het in La Distancia, de tweede film van Sergio Caballero die het filmen er geheel voor de lol bij lijkt te doen naast zijn baan bij het beroemde Sónar festival.

Bladzijdes: 1 2 3 4


Onderwerpen: , , , , , , , , , , , , , , ,


6 Reacties

  1. Kaj van Zoelen

    Kun je Tsai Ming-Liang nou echt een opvolger van die ‘neo-Tarken’ noemen? Zit die niet meer in de traditie van Hou en Yang e.d.?

  2. Peter Cornelissen

    Zou goed zijn om te horen wat anderen hier van denken
    Ik ga zeker kort door de bocht op dit punt, omdat ik daar geen uitgebreide analyse wil maken, maar meer een gevoel uitdrukken. Toch denk ik wel dat Tsai meer stijlkenmerken vertoond die in het verlengde van de Oost-Europeanen liggen dan zijn Taiwanese collega’s. En het is ook precies Tsai die grote invloed had op Alonso, maar ook anderen zoals Kim Ki-Duk… dat licht bij Hou en Yang toch echt anders in mijn beleving.

    Heb nog even ge-googled op het begrip ‘neo-tarkovskianen’ en er kwam alleen maar een review van Korridorius door Hans Beerekamp naar boven. Daarin o.a. de volgende quote:
    Bartas vormt het middelpunt van een kleine internationale beweging van gelijkgestemden, waartoe de Nederlandse Nathalie Alonso Casale en de Fransman Léos Carax behoren.

    Meen me te herinneren dat ook Claire Denis tot deze groep gerekend werd, en wellicht deed Paul Ruven met Sur Place door de aanwezigheid van Bartas muze Katherina Golubeva ook nog wel een gooi. Maar was het werkelijk een groep? Van Nathalie Alonso Casale is helaas nooit meer wat boven water gekomen… staat nog hoog op de verlanglijst.

    deze quote is ook nog opmerkelijk:
    Al deze regisseurs kunnen gemakkelijk afgedaan worden als warhoofden, charlatans en zweefvliegers, en misschien zijn ze dat ook soms wel, maar op Bartas – de meest aardse en speelse van de neo-tarkovskianen, ben ik nog niet uitgekeken. Nog niet

    daarmee doelt hij op Tarr en Sokurov… gemakkelijk afgedaan worden?!?!? Hij was duidelijk geen echte fan dus, maar dan nog is het een vrij bout statement.

  3. Kaj van Zoelen

    Carax neo-Tarkovsky? Huh?

    Tja, ik kan de vergelijking zelf moeilijk echt tegengaan omdat ik nog geen film heb gezien van Bartas en alleen maar 21ste eeuws werk van Sokurov en Tarr ken, maar als ik daar op af ga is de enige overeenkomst die ik zo direct kan bedenken tussen hun werk en dat van Tsai de lange take, maar dat is ook iets wat ik bij Hou zie… die naar mijn gevoel qua sfeer en thematiek toch een stuk dichterbij elkaar zitten dan bij de Oost-Europeanen. En in zowel Tsai als Hou als Denis zie ik eerder Ozu dan Tarkovsky denk ik…

  4. Beavis

    De invloed van Ozu op die drie is evident. Denis kreeg het misschien mee van Wenders, waar ze een tijdje mee samenwerkte.

    De link tussen de verschillende genoemde regisseurs was eigenlijk alleen Golubeva, en vandaar dat Bartas werd genoemd als spil van de groep… En dat ik me afvroeg of het wel een beweging was, of meer een vriendenclub…

    De noemer gaat eigenlijk wat mij betreft alleen op voor de drie Oost-Europese grootheden. Stilistische kenmerken zijn niet alleen een lange take, maar ook dat deze lang vastgehouden wordt waar anderen em al zouden los laten, close-ups van hoofden, zwijgzame hoofden… Iets doen met ‘de elementen’ hoort ook wel bij Tarkovski, niet perse bij de opvolgers, al blijkt Bartas dus ‘aards’ genoemd te kunnen worden. Tsai heeft wel iets met water vind ik.

  5. Beavis

    Waar ik ‘op die drie’ schreef, bedoelde ik op die laatste twee…

  6. Beavis

    Maar ik geef toe dat ik bij Tsai ook meer Franse en wellicht zelfs Italiaanse en Amerikaanse invloeden zie dan in de Oost-Europeanen. En eigenlijk zijn alle genoemde filmmakers wel beïnvloed door de Japanse meesters. Ozu past wel bij Sokurov, Tarr zoekt via Jancso het met zijn camerawerk richting Mizoguchi… Enz enz… De Story of Film is soms te complex om filmmakers zomaar op een hoop te gooien, vandaar dat ik kort door de bocht was. en uiteraard heeft Tsai OOk overeenkomsten met zijn landgenoten…


Reageer op dit artikel