NFF (6): Verslaving in alle facetten.

1 oktober 2014 · · Filmfestival + NFF 2014

Ne me Quitte Pas

Nederland is in het buitenland bekend vanwege zijn verdovende middelen. Of het nu onze laissez-fair aanpak is omtrent wiet, of de exploitatie van sociaal geaccepteerde verdovende middelen als Heineken, Grolsch en Amstel. Ook hebben wij een subcultuur gecreëerd (Gabber) die gekenmerkt werd door de opkomst van party-drugs als xtc en speed. De drie films die ik vandaag bespreek gaan elk op hun eigen manier om één exponent van de Nederlandse verslavingscultuur, of het nu draait om een film over verslaving aan Gabber-muziek en de bijgaande party-drugs, of om de laveloze alcoholisten in Ne Me Quitte Pas (2014).

Ne Me Quitte Pas

Ne Me Quitte Pas van Sabine Lubbe Bakker en Niels van Koevorden gaat over de twee vrienden Bob en Marcel. Twee mannen die diep in het glaasje kijken, maar die er altijd zijn voor elkaar wanneer het gaat om het bestrijden van de kater. De twee alcoholisten lijken voor het ongeluk geboren. In de eerste scène word Marcel gedumpt door zijn vrouw. In de tweede scène bespreken Bob en Marcel een zelfmoordpact dat uitgevoerd zou moeten worden onder een speciale boom in het bos; Bob’s levensboom. In de derde scène laat Bob zijn levensboom zien. Blijkt deze te zijn omgehakt. Ne Me Quitte Pas is regelmatig hilarisch in de droge ongelukken in het leven van Bob en Marcel. Maar zoals alcoholisten weten: na het leedvermaak komt de kater.

Ne Me Quitte Pas volgt namelijk de structuur van een avond doorzakken. Aanvankelijk is het lachen om de dronken perikelen van Marcel en Bob, ondanks dat deze beelden soms ongemakkelijk intiem zijn. Marcel en Bob komen over als amicale mannen, die helaas geen goede kaarten hebben gekregen. Maar naarmate het drankgelag zich voortzet bekruipt de kijker het gevoel dat er niet veel te lachen valt. De situatie waarin Marcel en Bob inzitten is in werkelijkheid behoorlijk droevig, en is niets meer dan een destructieve neerwaartse spiraal.

De film verschuift dan ook langzaam van komedie naar tragedie. Als Marcel weer eens op zijn bek gaat na een fles rum, of Bob zijn eigen alcoholisme ontkent, bekruipt je het gevoel dat deze vriendschap geen lang leven meer beschoren is. Dit gaat ooit ongelooflijk uit elkaar knallen, of één van de twee zal dood gaan. De bodem die langzaam in zicht komt weegt zwaar op de film. Het einde lijkt onvermijdelijk, maar de film benadrukt ook dat het leven door gaat, in één van de hoofdstuktitels. Helaas is deze doorgang die van de teloorgang van Marcel en Bob. Ondanks de komedie in de laatste scène, en de briljante muziekkeuze, is het vooral de tragiek die blijft hangen. Zoals de Engelsen plachten te zeggen: old habits die hard. Een waarheid waarin de echte tragiek van Ne Me Quitte Pas schuilt.

Ne Me Quitte Pas draait aanstaande zondag, 5 oktober, nog éénmalig om 11.00 in Het Ketelhuis in Amsterdam.

★★★★½

Gabbers

Gabbers!

Gabbers (2013) is de tweede film van Wim Van Der Aar, die een aantal jaar geleden de beste docu van dat jaar maakte met De Van Waveren Tapes. Ook Gabbers bestaat uit de herinterpretatie van bestaand materiaal, aangevuld met nieuw geschoten interviews en beelden. Deze nieuwe beelden gaan naadloos over in het materiaal dat Wim van der Aar leende uit een aflevering over de gabbercultuur van VPRO’s Loladamusica.

Gabbers is extreem stijlvol, en de film vind vele interessante visuele variaties op de glimmende trainingspakken, en de kaalgeschoren koppen van hossende tieners en twintigers. De archiefbeelden van Loladamusica zijn bij vlagen hilarisch, en de grofkorrelige videobeelden gaan fijn over in de wat geliktere filmlook die Van Der Aar gebruikt voor zijn beeldinterpretaties. Op stijl valt niets af te dingen, maar in het narratief van de docu laat Van der Aar steekjes vallen, waardoor de verwachtingen na De Van Waveren Tapes helaas niet worden ingelost.

Een van de stijlkeuzes is de gabbers zelf aan het woord te laten, in tegenstelling tot buitenstaanders. Dat levert helaas een redelijk oppervlakkig beeld van de gabbercultuur op, met vooral veel variaties rondom het plezier van die tijd en de saamhorigheid. Het is een mooi, positief beeld, maar niet genoeg om uit te rekken over vijftig minuten. Wat nuances zouden niet misstaan, maar door de geïnterviewden vooral de positiviteit te laten benadrukken, en geen kritische vragen te stellen, blijft een welhaast fictief beeld van een aards walhalla hangen. Vragen over neo-nazisme en racisme worden gepareerd, net als vragen voer drugsgebruik. Slechts vijf minuten word er aandacht besteedt aan uppers en downers, ondanks dat alle mensen in de beelden uit Loladamusica uit hun ogen kijken of de tl-verlichting licht uitstraalt dat rechtstreeks uit het paradijs komt nederdalen. Anders gezegd, echt iedereen is zo high als een kanarie. Een kanarie die net een engeltje en een smiley achter de kiezen heeft.

De documentaire lijkt dat volledig te negeren. Nee, zegt men in de docu, de muziek was onze high. We waren verslaafd aan de beats. Ondanks dat de aanwezigheid van narcotica glashard word erkend, vertonen veel van de geïnterviewden in het heden nog steeds een soort van ontwenningsverschijnselen. Ze leven namelijk allen nog in het verleden; in de tijd dat ze de boel in het sportpaleis onveilig maakten. Het levert redelijk treurige beelden op, wanneer je beginnende veertigers ziet met dreads, of in aussies, of met gabbertattoos die nog steeds leven in hun tienerjaren. De film is een ode aan de gabber-cultuur, maar juist een licht kritische, of ironische noot, ten opzicht van deze inmiddels bijna middelbare mannen en vrouwen had de film meer gemaakt dan dat. De kritische noot ligt voor het oprapen, maar Van Der Aar laat hem liggen. Een gabber van in de veertig zegt als persoon veel over het einde van de gabbercultuur, en Van Der Aar had daarmee een ode kunnen brengen aan een voorbijgegaan tijdperk, door het hier en nu te benadrukken. Nu blijft de film letterlijk in het verleden hangen. Een prachtig gefilmd verleden. Dat wel.

★★★☆☆

SLAAF

SLAAF

SLAAF is het regiedebuut van Jack Wouterse, en een verfilming van zijn onemanshow voor het RO Theater met de gelijknamige titel. De origine als toneelstuk kan de film niet van zich af schudden, want het blijft in wezen een monoloog van een man in één enkele kamer. Toch doet Jack Wouterse qua stijl en beeldtaal enorm zijn best een dynamisch geheel af te leveren, en dat lukt hem zeer goed. Wie bereid is om zijn verwachtingen voor een conventionele film, of een visueel spektakel, of een prettige kijkervaring laat varen, word getrakteerd op een sterke, doch extreem nare film.

SLAAF doet denken aan Lukas Moodysson’s A Hole in My Heart, of de transgressieve cinema van filmmakers als Nick Zed, Richard Kern, of Nederlandse namen als Cyrus Frisch, Edwin Brienen en Aryan Kaganof (of zelfs Theo van Gogh, in films als Luger). Onprettige, maar enerverende cinema, die tot nadenken stemt, en avontuurlijk is qua vorm. SLAAF is net als A Hole in My Heart een afdaling in een persoonlijke hel, waarbij een verslaafde, gespeeld door Jack Wouterse, besluit zelfmoord te plegen. Voordat hij zijn daad uitvoert moet het hoge woord eruit, en Wouterse spuwt zijn gal over de camera. Een woedende monoloog volgt, over verslaving, over moraliteit, over traumas en onrust. Over het verlangen naar een beter leven, maar ook over de drugs en vreetpartijen die blijven lonken, omdat ze de innerlijke onrust tijdelijk kunnen stillen.

Wouterse haalt veel uit zichzelf naar boven. Hij heeft een verleden van verslaving, aan drugs en eten, en hij maakte SLAAF naar aanleiding van zijn ervaringen nadat hij clean werd. De innerlijke onrust die hij voelde in zijn verslavingsperiode is de brandstof die SLAAF voed. In de film laat hij alle duisternis die in hem schuilt (en als we net zo eerlijk zijn als Wouterse, in elk mens) naar buiten. Hij laat zich van zijn zwakste kant zien. Hoe hij huilend een groot aantal snack naar binnen werkt, tot hij onder de saus zit; hoe hij met wijn in zijn gezicht en op zijn t-shirt schreeuwt over seksueel misbruik en religieuze hypocrisie; hoe hij met doorgelopen clowns-make-up de innerlijke onrust naar buiten huilt, tot het snot letterlijk uit zijn neus loopt; het maakt allemaal indruk. Jack Wouterse laat zich van zijn minst flatteuze kant zien, en het is niets anders dan een tour de force.

De stijl is even rusteloos en overstuurd. Wouterse is omringd door tientallen monitors en cameras, en de film knipt tussen de verschillende beeldschermen. Videobeelden worden afgewisseld met onderwatercamera’s, draaiende cameras aan het plafond en beelden van de camera op zijn mobieltje. De grofkorrelige beelden, de overbelichte en onderbelichte beelden, de beeldruis, het slonzige en volgestouwde appartement, de duistere verftekeningen in zwart en rood op de muur, de geluiden van de huilende baby en blaffende honden bij de buren; allen bieden een groezelige filmische textuur die even gepokt en gemazeld is als de monoloog zelf.

SLAAF gaat over rot. Rot van het lichaam, rot van de ziel. Het is een film die in de spiegel van de ziel staart en een monster ziet. Het is hopeloos, troosteloos, compromisloos. Een film die nihilistisch is? Misschien. Maar ook een film die oprecht voelt, en oprecht is over de duistere gedachten die in de hoofden van ieder mens spelen: de haat voor anderen, het voeden van je eigen ego, het stillen van je hedonistische wensen, of het nu om eten, drank, drugs of seks gaat. SLAAF is compromisloze cinema; een onprettige kijkervaring, visueel en narratief gezien, maar daarin wel steengoed. Enkel voor ruimdenkende mensen, niet alleen moreel gezien, maar vooral film-gewijs gezien.

★★★★½


Onderwerpen: , , , , , , , ,


Reageer op dit artikel