Privilege (1967)
BFI Flipside (2)

18 februari 2014 · · Beschouwing + De SI-xties

BFI Flipside Privilege

Peter Watkins’ Privilege (1967) bevind zich op het raakvlak van verschillende roemruchte carrières. Hoewel de film van zichzelf weinig opmerkelijk is, geld de film als een beginpunt en inspiratiebron voor verschillende films en stromingen, en als een wisselstation voor veel van de cast en crew. Regisseur Peter Watkins maakte eerder in Engeland het controversiële en hoog gewaardeerde The War Game (1965), en later in Amerika Punishment Park (1971). Dat Privilege minder aandacht krijgt is begrijpelijk, maar de film is overduidelijk een overgangsfilm tussen de twee pieken in zijn carrière, en dat geld voor meer van de elementen in Privilege. De hernieuwde aandacht voor de film vanuit BFI’s Flipside collectie is misschien niet terecht op basis van de kwaliteit van de film, maar zeker wel vanwege de subtiele manieren waarop de film invloedrijk is geweest.

Privilege vertelt het verhaal van Steven Shorter, een popster die door een groot bedrijf, en de politieke elite, wordt ingezet om de rebelse jeugd van Groot-Brittannië onder de duim te houden. Door het luisteren naar zijn muziek, het kijken naar zijn optredens en het kopen van Steven Shorter-producten doet de jeugd afstand van gewelddadige uitingen en worden makke schapen die de producten kopen van multinationals en conformeren aan de boodschap van politieke leiders. Het duurt niet lang, of de kerk mengt zich in het succes van Steven Shorter, en probeert met dezelfde technieken de jeugd van Groot-Brittanië terug te brengen in de kerkbanken. Alles culmineert in een concert waarbij het publiek “We will conform” scandeert, terwijl priesters met neon-kruizen in de kleuren van de Britse vlag de politieke, kapitalistische en religieuze boodschap van onderdanigheid aan grootmachten prediken. Steven Shorter pikt het niet meer, en probeert zich uit zijn keurslijf te onttrekken.

De weinig subtiele satire van Privilege, die ondanks de botte bijl waarmee de film hakt nog niets aan actualiteit heeft ingeboet, was niet alleen geïnspireerd door de vercommercialisering van predikers in het licht van de ontkerking, of de immer groeiende macht van het kapitalisme, of de groei van populisme in de politiek. Hij was vooral geïnspireerd door de documentaire Lonely Boy, over de hysterische tienermeisjes die in katzwijm vielen bij het zien van Paul Anka. De van-dik-hout-zaagt-men-planken-muziek van Paul Anka is inmiddels nagenoeg vergeten, of op zijn hoogst een lachertje geworden, maar destijds was Anka een enorm tieneridool, wiens populariteit wedijverde met The Beatles in hun begindagen. Veel shots van Privilege zijn volgens Peter Watkins volledig geleend van Lonely Boy.

Een andere inspiratiebron is The Loneliness of the Long Distance Runner (1962), waarin in een fameuze scène de protagonist een rebelleert onder de klanken van de hymne “Jerusalem”. Steven Shorter rebelleert, tegen het einde, op de klanken van een rockversie van dezelfde hymne. De versmelting van religie en rockmuziek is ook te zien in een Beatles-achtige band bestaand uit monniken met mop-tops die een rockversie doen van “Onward Christian Soldiers”. In een interessante ontwikkeling waar de filmmakers geen weet van hadden bij het maken, zou de acteur die Steven Shorter speelt, Paul Jones, in zijn eigen leven ook rockmuziek met het christendom verenigen.

Paul Jones begon, voordat hij gecast werd in de film, zijn carrière bij dezelfde rockclub die uiteindelijk Mick Jagger de stratosfeer zou in katapulteren. Sterker nog, hij was de eerste keuze voor Brian Jones, de oprichter van The Rolling Stones, en Keith Richards om hun band te komen versterken als leadzanger, maar hij sloeg het aanbod af. Later toerde hij onder andere met The Who als voorprogramma (daarover later meer). In Privilege maakt hij weinig indruk in de acteermomenten, maar zijn stem en stage-performance beklijven beter. Toch zou groot succes uitblijven voor Paul Jones.

Wel raakte hij bevriend met Cliff Richard, en daar komt het christendom om de hoek kijken. Cliff Richard, samen met Bob Dylan misschien wel de beroemdste (en in het geval van Dylan tijdelijke) bekeerling van rockmuziek richting kerkmuziek, nodigde fervent atheïst Jones uit voor een kerkviering, waar Jones zich bekeerde tot het Christendom. Zijn huidige carrière valt het beste samen te vatten met zijn optreden in het programma Songs of Praise, de Engelse versie van EO-programma Nederland Zingt, enkele maanden geleden.

Jones’ huidige levensvisie staats haaks op de boodschap van Privilege, die niet alleen ageert tegen de macht van de media, maar ook de corruptie binnen de kerken. Grootste inspiratiebron voor de woede in Privilege lijken ook de tv-dominees en media-evangelisatie, waar Cliff Richard, en Paul Jones nu ook, een groot promotor van is. Ten tijde van Privilege stond televisie-evangelisatie in de kinderschoenen, en de film voorspelt welhaast de rechtsconservatieve tv-dominees als Pat Robertson, die kerkelijke propaganda, politiek populisme en kapitalistische geldklopperij combineren in een gevaarlijke mix.

De rest van de cast en crew kent nog enkele grote namen in Jean Shrimpton, die als model een symbool was van Swinging London, een stroming waar Privilege met wat goodwill ook toegerekend kan worden, dankzij de linkse politieke overtuigingen en de kleurrijke, hippe stijl. In de crew zit ook Micheal George Farr, die met de muziek van Privilege geen hit scoorde, maar die eerder wel, en later ook, goed werk afleverde als producer en liedjesschrijver voor The Rolling Stones, Joe Cocker, Marianne Faithfull, Van Morrison, Jimmy Page, The Beatles, Roy Orbison en Shirley Bassey.

Ondanks dat Privilege als film tekort schiet, met te gemakkelijke satire en houten acteerwerk, kan de invloed van de film niet onderschat worden. Het lied “Set Me Free”, wat het lijflied is van Steven Shorter, werd later een bescheiden hit voor Patti Smith. De stijl van de film lijkt een inspiratie voor Stanley Kubrick’s A Clockwork Orange (1971), waarbij één scène specifiek, de clubscène, qua decor en sfeer bijna direct gekopieerd word in de scènes in de platenzaak in A Clockwork Orange. De vroege stijl van David Bowie lijkt ook enigszins afgekeken van Steven Shorter, tijdens zijn vroege periode, tot en met ongeveer Hunky Dory.

De meest dubieuze knipoog naar Privilege kunnen we echter vinden in Tommy van The Who. Tommy eindigt net als Privilege met een messiaanse rockster (of pinball-koning) die zijn discipelen toespreekt en afstand doet van zijn vorige (populistische) lessen wat hem niet in dank wordt afgenomen. Ken Russell’s filmversie van Tommy (1975) leent soms letterlijk beelden en decors van Privilege. Er zijn nooit rechtszaken geweest, maar de link lijkt evident, zeker als je bedenkt dat Paul Jones, vlak na het uitkomen van Privilege toerde met The Who in Australië en New Zeeland, circa 1968. In 1969 verscheen The Who’s Tommy als album. Als blijkt dat Tommy inderdaad leentjebuur speelde bij Privilege is er geen man overboord. Privilege verkwanselt zijn sterke basisgegevens, terwijl Tommy, het album én de film, de belofte wel waar weten te maken.


Onderwerpen: , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , , ,


1 Reactie

  1. Peter Cornelissen

    Ik blijf het kijken van deze Watkins titel steeds maar uitstellen… volgens mij heb ik em namelijk al eens gezien in half slaperige/aangeschoten toestand lang geleden… maar heb er nog geen cijfer aan verbonden. En dat terwijl zoals Watkins als dit onderwerp me erg aanspreekt!

    Liefhebbers werpen ook een blik op Les Idoles (1968) en Wild in the Streets (1968), gezien de jaartallen mOEten dit wel direct geïnspireerde titels zijn!


Reageer op dit artikel