A Pigeon Sat on a Branch Reflecting on Existence (2014)
Een existentiële treurmars

Een man loopt door een museumzaal en blijft staan voor de vitrine met daarin een opgezette duif. Het is het openingsshot van het derde en laatste deel uit Roy Anderssons asgrauwe bespiegeling op de mensheid en de kijker die bekend is met zijn werk, weet inmiddels wat hij kan verwachten. De achterliggende vraag is namelijk niet zozeer of de grijze stadsvogel is uitgestorven, maar eerder of de reflecterende mens zelf enig besef heeft van zijn existentiële levensloop. De Zweedse regisseur speelt hier ironisch op in met de titel, dat gelijk een andere vraag oproept: weet Andersson wel iets nieuws onder de zon te brengen met steeds dezelfde lijkbleek geschminkte personages die zijn troosteloze universum bevolken?

‘De gemiddelde mens houdt er niet van lang bij iets stil te staan. Integendeel, alles spoort hem aan tot haast’, schrijft Albert Camus in De mythe van Sisyphus (1942). Roy Andersson bewijst het tegendeel door voor elke scène tergend lang de tijd te nemen, zodat de zwarte humor als een droesem op de bodem van het kijkgenot achterblijft. Andersson gaat verder dan de dead pan-humor van zijn Scandinavische collega Aki Kaurismäki en creëert geen achterliggende drijfveren waar stoneface Buster Keaton zijn humor naar modelleerde. Dat de mens ‘een of andere hoop’ najaagt, zoals Camus verder gaat, is een illusie, en je ziet Andersson instemmend knikken. Dit is cinema van het absurde, van de naakte de mens, de reddeloze mens, die van elke vorm van zingeving verstoken is. En wat een vermoeiende treurmars levert dat op.

Na een proloog met drie sterfgevallen, volgt de rode draad van het verhaal met twee verkopers van feestartikelen, die vanzelfsprekend een zeer kleurloos en onsuccesvol bestaan leiden. De eerste keer kan je de grap van hun onhandige verkooptechnieken wel waarderen, maar hoe vaker ze je tegenkomt, hoe meer ze vervagen tot muurbehang. Datzelfde geldt voor een tangodocente die haar leerling probeert te verleiden, alsmede op het eind een bijzonder pijnlijke vertoning zit van hoe donkere slaven worden ingezet voor een bizar muziekinstrument voor de bourgeoisie. Alleen een scène van een stelletje dat in natuur loopt te vrijen, valt uit de toon doordat het een warme gloed van de zon meegeeft. Wat zit achter deze willekeurige samenstelling van pijnlijkheid en verborgen sentimenten? Een kritiek op onze nihilistische inborst?

Iedereen tapt uit een ander vaatje humor en wat betreft zwarte of droge humor heb ik Kaurismäki en Buster Keaton zeer hoog zitten, maar wat Anderssons theatrale stijl zo uniek maakt, waarom deze titel met de Gouden Leeuw van Venetië naar huis mocht gaan, is voor mij een volstrekt raadsel. Naast een half geslaagde schertsvertoning ingegeven door een anachronistische inbreuk met Koning Karel X, was er welgeteld één scène die me een glimlach op de lippen bezorgde, die voor mij iets wezenlijks vertelde over het verstrijken van tijd en het besef van existentie: de hoogbejaarde man in het café die een prachtige flashback inluidt. Hier doorbreekt voor het eerst een straaltje poëzie het grijze wolkendek.

Het leven mag zo zwartgallig als mogelijk worden afgebeeld, maar als je het absurde als maatstaf neemt, neem dan deel aan het spel, en laat het niet droog koken tot je er niks meer uit kan halen. Camus noemde opstand, vrijheid en hartstocht de drie consequenties van het absurde, en het is niet zozeer erg dat de personages hiervan verstokt zijn, maar des te meer dat dit opgaat voor de motieven en ideeën van de filmmaker. A Pigeon Sat on a Branch Reflecting on Existence confronteert niet, beroert niet, prikkelt niet, leeft niet, en probeert de kijker slechts blij te maken met een dode mus.

★½☆☆☆


Onderwerpen: , , , ,


Reageer op dit artikel