Superheld op de loop met Carver
Het gebruik van Raymond Carver in Birdman (2014)

7 februari 2015 · · Beschouwing + Niks met Adaptaties

Na een leven getekend door zware alcoholverslaving, was het longkanker die een vroegtijdig einde maakte aan het leven van Raymond Carver (1938-1988). Op zijn grafsteen een fragment uit een van zijn gedichten:

And did you get what
you wanted from this life, even so?
I did.
And what did you want?
To call myself beloved, to feel myself
beloved on the earth.

Het is de tekst waar Birdman mee opent, een aankondiging op de nadrukkelijke aanwezigheid van Carver in de film. Wat is de betekenis daarvan en wordt Carvers werk recht gedaan?

Spil in het verhaal rond de ooit-populaire acteur Riggan Thomson zijn de voorbereidingen op een toneeluitvoering van Carvers korte verhaal What We Talk About When We Talk About Love. In nog geen 20 pagina’s schetst Carver een namiddag waarin 2 stellen onder het genot van flessen gin keuvelen over de liefde. De ex van een van de vrouwen verklaarde zijn agressie jegens haar uit zijn onvoorwaardelijke liefde voor haar. De twist of dit wel of niet voor liefde door kan gaan, krijgt een tegenbeeld in het verhaal dat een van de mannen (arts) vertelt. Een bejaard stel belandt na een auto-ongeluk in het ziekenhuis. Als de arts hen bezoekt constateert hij dat de man doodongelukkig is, doordat hij, vastgezet in gips, zijn vrouw niet kan zien.

De vraag waarom juist dit stuk zo prominent aanwezig is in Birdman, is niet zo eenvoudig te beantwoorden. Mijn inziens is dit extra lastig doordat de Carver-touch ver te zoeken is in de behandeling van het stuk. Wie bekend is met zijn verhalen zal zich vooral de verstilling herinneren; het onspectaculaire dat niettemin iets van mysterie of spanning oproept. Van buitenaf lijkt alles normaal, maar onder het oppervlak broeit van alles. Ook in What We Talk About When We Talk About Love voel je hoe de verhoudingen tussen de 4 personages blijvend zullen veranderen door de gevoerde conversaties, terwijl het verhaal bepaald onspectaculair oogt.

Op het Broadwaypodium van Riggan Thomson herkende ik het stuk nauwelijks terug. Al bij de eerste oefenscène, die één van de spelers wegens wanpresteren zal moeten bekopen met de val van een podiumlamp op zijn hoofd, blijkt het acteren ver verwijderd van de ongedwongen sfeer uit het verhaal. Het is de toneelmatige acteerstijl waarbij dialogen met pathos worden voorgedragen, omdat taal en expressie nu eenmaal het enige is wat men tot de beschikking heeft. Het is de stijl waarin acteurs elkaar proberen te overtroeven, iets wat helemaal een vlucht neemt als het Edward Norton personage Mike zijn intrede doet. Hij beperkt zijn dominantie bepaald niet tot zijn rol in het stuk, maar zet ook in de coulissen de boel op zijn kop.

Dit kan allemaal nog een kwestie van smaak zijn, maar dat valt moeilijker vol te houden als het verhaal-in-het-verhaal-in-het-verhaal op verschillende wijzen wordt geënsceneerd, met onder meer de toevoeging van rendieren (!), pathetische monoloog richting publiek, en, per ongeluk, een entree door de zaal. Zo langzamerhand raakt de originele Carver wel erg ver uit beeld. De pompeuze bewerking lijkt vooral een falen van de adaptatie door Thomson. Zoals Charlie Kaufman in Adaptation (2002) zijn writers block met kunstgrepen te boven probeert te komen, zo zien we Thomson steeds wanhopiger wijzigingen doorvoeren om de gunst van het publiek te winnen. Het project is met hem op de loop gegaan. Wat kan hij nog waarmaken van het servetje dat hij lang geleden kreeg van de meester; “Thanks for an honest performance – Ray Carver”? (Een boodschap overigens, waar uitgerekend de overacterende Mike de draak mee steekt). Pas als hij een spectaculair element van rauwe werkelijkheid toevoegt krijgt hij de handen op elkaar van zelfs de grootste criticus.

Zo lijkt de functie van deze toneeladaptatie vooral om het thema authenticiteit te doen. De keuze voor Carver lijkt logisch. Hij is immers het toonbeeld van authenticiteit, de gewone man die over de gewone man schrijft, dicht bij zichzelf blijft. De behandeling ervan is erg ambigue, omdat de adaptie waarmee Thomson uiteindelijk artistiek succes boekt Carver behoorlijk geweld aandoet en daarmee juist niet authentiek is. In commentaren wordt de film dan ook wel verweten niet in de geest van Carver te zijn (zo las ik zelfs een bezwaar dat niet de originele versie van het korte verhaal is gebruikt, maar het algemeen bekende). Anderzijds is er ook de hoop op een Carver-herwaardering te horen, wat impliceert dat het Carveriaanse in Birdman de goedkeuring kan wegdragen. Persoonlijk kan ik me moeilijk voorstellen dat kijkers warm worden van de impressie van Carver zoals die in deze film ontstaat. Bedoeld of onbedoeld, zijn erfgoed heeft in Birdman vooral de ondankbare taak om de te hoge ambities en onkundigheid van Riggan Thomson te illustreren.


Onderwerpen: , , ,


1 Reactie

  1. Kaj van Zoelen

    En toch is het een betere adaptatie dan de veel getrouwere opvoering die ik ooit eens zag als een afstudeerproject van de Toneelschool. :P


Reageer op dit artikel