Circus Fellini
Mijn liefde voor Fellini aan de hand van I Clowns (1970)

13 november 2015 · · Beschouwing + Onterecht Onbemind

Worden grote regisseurs bepaald door hun meesterwerken, of door de kwaliteit van zelfs hun mindere werk? Als het op Federico Fellini aankomt, zonder meer één van mijn favoriete regisseurs, was ik altijd tot dat eerste geneigd. Met La Strada (1954), La dolce vita (1960), Otto e mezzo (1963) en Roma (1972) is het rijtje ijzersterke films zeker niet uitgeput. Na twee bezoekjes aan een miniretrospectief in Amersfoort (gek genoeg naar aanleiding van EYE’s Antonioni-overzicht), realiseer ik me steeds meer dat zelfs zijn vergeten films van hoog niveau zijn. Zijn segment in L’amore in città (1953) wijst in zwierige camerastijl intrigerend vooruit op Otto e mezzo. I Clowns (1970) is een mockumentary waarin Fellini zich het lot van de met uitsterven bedreigde clown aantrekt.

Nu is de clown een fenomeen dat iedereen met lang vervlogen tijden associeert, en groeien hele volksstammen op zonder er ooit een in een echt circus gezien te hebben. Anno 1970 blijkt dat niet veel anders. Ook toen was de clown, en het circus in zijn algemeenheid, al lang en breed door andere amusementsvormen voorbijgestreefd. Voor Fellini was het onlosmakelijk met zijn jeugd verbonden. De fascinatie voor deze circusartiesten ging gepaard met een zekere angst voor de vreemd geschminkte grappenmakers. Begrijpelijk, niet voor niets is de clown een geliefd personage in het horrorgenre.

I Clowns start dan ook met een uitermate nostalgisch beeld van een jongetje dat ’s nachts vanuit zijn slaapkamerraam kijkt hoe een circus opgebouwd wordt, en zich een moment later in de opwinding van een kolkende circusact bevindt. Al even nostalgisch getint is het segment dat daarop volgt. Korte absurdistische scènes in bekende Fellini stijl waarin sociaal onaangepaste types en dorpsgekken figureren. Het lijkt bedoeld als een aanzet tot de vraag die Fellini zich hardop stelt: wat is er gebeurd met de clowns van weleer? Quasi documentair reist hij stad en land af, op zoek naar ooit roemruchte clowns, nu wegkwijnend in onbegrip over hun teloorgang.

Die fascinatie voor clowns komt niet uit de lucht vallen. Circuspersonages figureerden al regelmatig in zijn vroegere films, en vanaf Satyricon (1969) nam ook de fascinatie voor het bizarre een vlucht. Eigenlijk heeft Fellini altijd een interesse voor afwijkende figuren in de marge van de samenleving aan de dag gelegd. Dat was zeker geen kritiekloze omarming; hoewel zijn stijl vaak warm en nostalgisch aandoet, is een satirische ondertoon nooit ver weg. Ook in I Clowns neemt hij de marginale clowns enigszins op de hak. Zo voert hij circushistorici op die eindeloos ouwehoeren over details rond een bepaald type clown, en kan een filmtechnicus een gaap van verveling niet onderdrukken bij weer een bezoek aan een bejaarde clown die een tenenkrommend kunstje opvoert.

Mijn liefde voor Fellini zit voor een groot deel in de viering van het onvoorspelbare, een element dat in toenemende mate in zijn latere films te vinden was. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat het precies dit element was wat Fellini aantrok in bizarre en marginale figuren. Hij portretteert dergelijke figuren zelden als zwakkelingen, juist als vitale, eigengereide personen. Ze dagen bestaande ordes uit, doen het onverwachte, zijn tegendraads.

Daar hoort een energieke filmstijl bij. Fellini is voor mij dan ook op zijn best als hij zijn camera losjes in de middelpunt van de actie manoeuvreert en de acteurs om de camera heen choreografeert. Een film als Otto e mezzo zit vol met dit soort camerawerk, dat toch wel als typisch voor Fellini beschouwd kan worden. Een beetje teleurstellend is het dan ook dat de eerste circusact in I Clowns statisch vanaf de zijlijn gefilmd wordt. In de finale is dat beter gedaan, als Fellini uitpakt met een dolle circusact, waarbij hij zelf als regisseur annex circusmeester aan de touwtjes trekt.

Tot slot moet ik ook bij I Clowns weer constateren dat Fellini een schepper van geweldige beelden was. Die kwaliteit kwam natuurlijk bij het tweeluik La Dolce Vita en Otte e mezzo tot volle wasdom, maar verloor in zijn kleurenfilms eigenlijk geen moment aan kracht. I Clowns wordt samen met opvolgers Roma en Amarcord (1973) wel beschouwd als een nostalgische trilogie, wat in zijn beeldtaal zonder meer tot uiting komt. Het beeld in de openingsscène van het jongetje in zijn slaapkamer, is direct te herkennen als een nostalgisch beeld: niet teruggrijpend op de werkelijkheid, maar op de herinnering. Hoe? Tja, dat is het stukje magie dat filmkunst soms is. Fellini beheerste die als geen ander.


Onderwerpen: , , ,


Reageer op dit artikel