De demon die zwijgt
Hannibal en de verleiding van het kwaad

9 juli 2015 · · Analyse

 photo 7dbbda97-6041-4aa2-a196-81814a90a279_zps5nvvxzoa.png

Hannibal (2013-2015) is niet meer: het Amerikaanse tv-netwerk NBC heeft besloten na drie seizoenen de stekker uit de experimentele horrorserie te trekken, nadat het elk seizoen minder kijkers trok. Op internet heeft Bryan Fullers vrije adaptatie van Thomas Harris’ bronmateriaal echter een fanatieke schare fans opgebouwd, die het audiovisuele labyrint verkiezen boven een rechtlijnig plot. Het kloppend hart is vanzelfsprekend het kannibalistische titelpersonage, uitmuntend vertolkt door Mads Mikkelsen, die menig kijker weet te verleiden om van de meest gruwelijke moorden en gerechten te genieten. Maar wat maakt hem zo aantrekkelijk? Daarvoor wend ik mij tot ’het demonische’, een begrip uit Kierkegaards Vrees en Beven (1843).

“Zwijgen is de betovering van de demon; en hoe meer er gezwegen wordt, des te verschrikkelijker wordt die demon.”(1)Kierkegaard, Vrees en beven (Damon 2006), p. 93. Het is opvallend hoe weloverwogen Hannibal zijn woorden kiest tegenover zijn vrienden en vijanden: hij is geen man die snel zijn emoties toont, laat staan spontaan in lachen uitbarst, maar iemand die alles heel koel afweegt. Hannibal betovert zijn ‘gasten’ (een term die de lading beter dekt dan de klassieke tegenstelling van de zin hiervoor) doordat het lijkt alsof zijn vrijheid volledig in eigen hand heeft, wanneer hij zich als enkeling verheft boven het algemene van de gemeenschappelijke moraliteit. “My aesthetics are my ethics”, zegt hij aan het begin van seizoen drie. Hij neemt deel aan de sociale codes van respectvolle omgang, tot op het punt dat hij zijn eigen moraal laat gelden, zijn eigen visie van ‘goed en kwaad’.

Het is makkelijk om Hannibal met de slang uit het paradijs te vergelijken: de duivel confronteert de mens immers met diens dualistische verhouding tot moraliteit als een constructie zonder wezenlijke grond. Kierkegaard stelt zelfs dat er in het demonische figuur oneindige meer goeds schuilt dan in de mens van trivialiteit. (2)Ibidem, p. 103-104. Maar dat gaat toch zeker niet op voor een roofdier dat dikwijls zijn eigen gasten opdient en verorbert? Dat ligt eraan. Enerzijds kan je Hannibal wegzetten als een meedogenloze psychopaat die geen vergeving zou verdienen (het thema van seizoen drie), anderzijds valt er moeilijk te ontkennen dat hij iets losmaakt bij de gasten die hij pijnigt, door ze onder ogen te laten komen met hun meest diepe angsten. (3)Ibidem, p. 104. Subtiel doet hij dat echter niet, want wat volgt op zijn gewelddadige confrontaties zijn vaak verbijstering, apathie en wraakgevoelens. In die volgorde.

Deze dynamiek komt het sterkst naar voren bij het psychologische kat-en-muisspel tussen Hannibal en Will Graham (Hugh Dancy), dat in seizoen twee tot volle wasdom komt. In het eerste seizoen helpt Hannibal Will bij het opspeuren van moordenaars en bij het behandelen van Wills instabiele geest, in seizoen twee worden de rollen steeds vaker omgedraaid, hoewel Hannibal nooit datgene prijsgeeft waar zijn tegenstanders zo op hopen: kwetsbaarheid. Zijn pijn uit hij onverholen via fysieke daden, nimmer via emoties. Datgene wat hij bij anderen losmaakt, zal hij andersom niet snel tonen. Alleen door berouw te tonen kan hij een eerste stap op de weg van bevrijding zetten, zoals Kierkegaard stelt over het demonische figuur (4)Ibidem, p. 106., maar daarmee zou hij tegelijk zijn eigen moraal en positie tot het leven opgeven. Onmogelijk. Hoe kan je een psychopaat vangen, laat staan straffen die nooit tot inkeer zal komen?

 photo d44c7829-2346-4a5e-8685-21e099695479_zpspdymx9wg.png

Je kunt stellen dat het precies dit vraagstuk is dat ons als kijker, evenzeer als de personages rondom Hannibal, biologeert: het draait niet zozeer om de boetedoening van een moordenaar, maar om de mogelijkheid dat hij zich ondanks zijn kwaadaardige inborst, opnieuw tot het goede kan wenden. Een psychopaat is niet per definitie gewetenloos, zoals het interview ‘Het psychopatenbrein van Jim Fallon’, ons duidelijk maakt. Deze observatie zit vast aan de strijdigheid die Hannibal bij ons oproept: we kennen een stille bewondering voor de enkeling, degene die zijn eigen, ‘kwade’ driften durft op te volgen, ook als deze tegen de gemeenschappelijke zeden indruisen. Hannibal verleidt ons met zijn immorele houding tot het leven: wij willen ons ook durven verheffen.

Hannibal is echter – hoe verleidelijk zijn demonische natuur als een moderne Mephistoles ons ook toekomt – geen god. Hij blijft een individu als ieder ander, die zijn beperkingen als mens verbergt via een nihilistische rechtvaardiging van de wereld. Zijn ethiek is een esthetische, maar wat is de grond van zijn esthetiek? De dood als feestmaal, een manier om steeds in zijn eigen afgrond te kijken? Hannibal is hiermee ook een tragisch figuur, iemand die nooit een ander kan liefhebben, maar geneigd is de liefde die hij voelt eerder te doden. Tegelijk kan hij alleen door iemand anders bevrijd worden, dat ook zijn complexe, amoureuze verhouding met Will uitlegt: het duidt op een verborgen hartstocht, één die groter is dan hemzelf, en die zijn basale verlangens om te doden overtreft en zelfs opschort. Deze mogelijkheid van bevrijding is wat Hannibal de meeste angst inboezemt, hem het meest kwetsbaar maakt.

Het demonische blijft hiermee, ondanks dat hij zijn vrijheid als absoluut ervaart, altijd afhankelijk van hoe de ander hem hierin van dienst is. Elke keer voelt hij zich genoodzaakt zijn mogelijkheid tot bevrijding te doden of op zijn minst flink te verminken. Het weerspiegelt zijn eigen gespleten persoonlijkheid en het is niet moeilijk om te zien dat het demonische figuur door het verleiden van de ander zijn idee van ‘God’ trotseert, waarmee hij zijn vrijheid als een hoger ideaal waarborgt. Of zoals in de woorden van Will Graham over Hannibal in aflevering twee van seizoen drie:

– “God can’t save any of us, because it’s inelegant. Elegance is more important than suffering. That’s his design.”
– “You talking about God or Hannibal?”
– “Hannibal’s not God. Wouldn’t have any fun being God. Defying God, that’s his idea of a good time.”

 photo 8c7ab107-ee06-4550-92a5-e9875db1aca3_zpswhuhaasf.png

Poor devil.

Noten   [ + ]

1. Kierkegaard, Vrees en beven (Damon 2006), p. 93.
2. Ibidem, p. 103-104.
3. Ibidem, p. 104.
4. Ibidem, p. 106.

Onderwerpen: , , , , , , ,


Reageer op dit artikel