Eisensteins filmtheorie: Film Sense
Stop making sense

18 maart 2015 · · From Russia With Love

Als we de filmmaker Sergei Eisenstein bewonderen, bewonderen we dan niet eigenlijk de theoreticus Eisenstein? Ze kunnen nauwelijks los van elkaar gezien worden. De films zijn een dogmatische navolging van diens ideeën over, vooral, montage. Wat we bewonderen aan zijn films is vooral het effect dat weldoordachte beeldopeenvolgingen op de kijker hebben. Een aspect dat uit en te na bestudeerd is, en waar Eisensteins invloed op de loop van de filmgeschiedenis het grootst is. Van zijn geschriften vormen de bundels Film Form (1949) en Film Sense (1942) een blauwdruk van Eisensteins filmstijl. Laatstgenoemde nam ik nieuwsgierig ter lezing; bieden zijn ideeën ruim 70 jaar aan ontwikkelingen later, nog interessante en relevante inzichten?

Da!

Het meest verfrissend aan Film Sense is dat er een denker aan het woord is binnen relatief onontgonnen gebied. Natuurlijk had Eisenstein met iemand als D.W. Griffith al een voorganger van formaat op het gebied van (gedachten over) montage. Maar in de nog jonge filmgeschiedenis zal Eisenstein weinig referentiemateriaal hebben gevonden die aansloot bij zijn vooruitstrevende ideeën. Hij put dan ook vooral uit andere kunstvormen om zijn ideeën te illustreren. Je zou verwachten dat dat vergelijkbare vormen als toneel en beeldende kunst zouden zijn, maar juist de dicht- en romankunst dient vaak ter inspiratie. In een enkel geval ontleedt hij zelfs notities van Leonardo da Vinci ipv een schilderij van zijn hand. Het is dit soort ongebruikelijke vergelijkingen die prikkelen tot een andersoortige kijk op film dan we gewend zijn.

Met die alternatieve vergelijkingen illustreert Eisenstein o.a. hoe breed het begrip montage genomen moet worden. Vandaag de dag houden we montage al snel voor een aan film gerelateerd technisch begrip, maar voor Eisenstein keert het in elke kunst terug. Het zijn elementen die met elkaar in verband staan en op elkaar afgestemd moeten worden. In de dichtkunst zijn dat bijvoorbeeld (delen van) zinnen, die samen beelden, een ‘scène’, vormen. Het is aan de dichter de ‘montage’ zo op te bouwen dat het gewenste effect op de lezer wordt overgebracht. De stukken waarin Eisenstein teksten van Poesjkin en Milton filmisch maakt door de montage te ontleden horen tot de voor mij meest boeiende passages uit Film Sense.

Nyet!

Film als zintuigelijke ervaring is evident, maar in Film Sense probeert Eisenstein nog wat dieper in de psyche van de ontvanger te kijken. Voor iemand die zo gefocust is op een optimaal effect bij de kijker begrijpelijk. Wanneer je immers het psychologische proces van de ontvangst van een film begrijpt, zou je daar vervolgens handig op in kunnen spelen. Dat film een kunstvorm is en geen wiskundediscipline, verraadt al dat Eisenstein zich met dit vraagstuk op glad ijs begeeft. Zo wijdt hij een lang hoofdstuk aan de betekenis van kleur, dwz de interpretatie ervan door de ontvanger. O.a. het fenomeen dat mensen letters of getallen associëren met bepaalde kleuren passeert de revue. Na uitgebreide ‘bewijsvoering’ acht Eisenstein het onweerlegbaar dat er verbanden zijn tussen emoties, geluiden en kleuren. Persoonlijk betrap ik mezelf er nooit op bepaalde geluiden met bepaalde kleuren te associëren, of vice versa. Hoewel het zeker zo is dat anderen dergelijke associaties wel maken, lijkt het me problematisch tot een universele ‘taal’ in dezen te komen.

Iets breder kijkend dan dit ene element, zal er altijd een discrepantie bestaan tussen wat een kunstenaar in zijn werk stopt, en wat de ontvanger er uit haalt. In het geval van kleurgebruik zijn er weliswaar conventies en algemeen bekende symboliek, maar dit zijn niet meer dan cultureel aangeleerde principes. De ontvanger kan er niet van op de hoogte zijn, of de kunstenaar er moedwillig van afwijken. Naar mijn idee onderschat Eisenstein de mate van subjectiviteit die aan beide kanten om de hoek komt kijken.

Dat doet zich ook voor wanneer Eisenstein met geluid aan de slag gaat. Hierbij vormt een scène uit Aleksandr Nevsky de leidraad. In een indrukwekkend schema zien we de 12 shots achtereen, met parallel daaraan de notenbalk van de bijbehorende muziek en een diagram die per shot de oogbeweging aangeeft. Eisenstein probeert inhoud van de beelden, muziek en beweging van de ogen zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen. Met name dat laatste is voor mij een nieuwe dimensie ten aanzien van het componeren van muziek, zij het een die me niet geheel overtuigt. In een shot zien we bijvoorbeeld links onderin het scherm 2 soldaten staan, en in de wolkenlucht vanuit datzelfde punt een diagonale ‘boog’ naar rechtsboven. De aanname is dat de blik eerst op de soldaten zal vallen, en dan rechts omhoog kruipt. Om de muziek te matchen met deze oogbeweging, zullen de noten gelijktijdig óók van laag naar hoog gaan. Zodoende sluiten de zintuigelijke indrukken precies op elkaar aan. Een moedige poging daar samenhang in te zoeken. Zondermeer schuilt er waarheid in het feit dat sublieme esthetische ervaringen vaak een perfect op elkaar afgestemde samenkomst van indrukken blijken. Maar juist dat ‘blijken’ is volgens mij cruciaal. Dat impliceert een spontaniteit bij de ontvanger die zich vooraf niet zo makkelijk laat sturen. Een opbouw zoals Eisenstein die voor ogen staat, herbergt al zoveel aannames over hoe iets bij de kijker zal landen, dat er haast maar één uitkomst mogelijk is: niet zoals die de maker voor ogen stond.


Onderwerpen: , ,


Reageer op dit artikel