Ganja & Hess (1973)
Ongrijpbare cultfilm dankzij poëtische stijl

1 oktober 2015 · · Beschouwing + Poëzienema

Het verhaal achter Ganja & Hess is dat van de eigengereide cultklassieker ten voeten uit. De bedoeling was een ‘zwarte’ film die mee kon liften op het succes van Shaft (1971) en Super Fly (1972). Bill Gunn stond echter een artistieke, ‘Bergmanesque’ variant op het vampiergenre voor ogen. Zijn Ganja & Hess gooide hogen ogen op Cannes, maar tot zijn afschuw werd de film verknipt tot Blood Couple, die als een Blacula-kloon het grindhousecircuit in ging. Pas jaren later werd de film gerehabiliteerd. Alle problemen zullen voor een groot deel te wijten zijn geweest aan de poëtische inslag, die dit een moeilijk definieerbare film maakt.

Het lijkt of Bill Gunn een parallel universum heeft opgetrokken. Wie de getto’s van sleazy New York gewend is uit het blaxploitationgenre, zal even gek opkijken wanneer Dr. Hess Green zijn intrede doet in een Rolls Royce met chauffeur. Hij woont dan wel als enige zwarte in een blanke villawijk, maar mixt daar probleemloos, zoals we zien tijdens een tuinfeestje. Nonchalant converseert hij bij die gelegenheid in het Frans met zijn zoon. Zijn kennissenkring is al even mondain. Zo vertelt een Afro-Amerikaanse collega een anekdote over een bezoek aan Nederland, en ook diens vrouw (Ganja) komt later in de film overgevlogen uit Amsterdam.

Maar goed. Dat is overdag. ’s Nachts is Hess een vampier, behept met een bloedverslaving, onsterfelijkheid en daaruit volgende existentiele crisis. De kijker zal in deze Hess direct Duane Jones herkennen, oftewel de hoofdrolspeler uit Night of the Living Dead. In een beduidend meer gesofisticeerde rol, dat wel.

Moeiteloos wisselt de film tussen blaxploitationachtige scènes zoals die waarin hij bloed steelt in een ziekenhuis, Tarantino-achtig gelanterfanter, uitzinnige relihorror en mystieke droomsequenties. Een hoofdrol is weggelegd voor de soundtrack, vaak in de vorm van exotische groepszang, die vervormd en echoënd een bevreemdende sfeer oproept. Zeker als dat gepaard gaat met hallucinante slow-motion beelden van een met grote veren getooide inheemse vrouw, of een liefdesspel dat onvermijdelijk in bloederige taferelen eindigt.

Als die poëtische ingrepen één doel dienen, dan is het wel een sfeer van extase op te roepen. De kortstondige bevrediging van een verslaving. Extatisch is ook het tegenwicht in deze film: de gospeldiensten van Hess’ chauffeur annex predikant. Dicht op de huid, haast documentair gefilmd, is de energie van de man, de herhalende zinnen, de bijval van de gemeente, niet minder dan opzwepend.

Op andere momenten is Ganja & Hess van een vreemde verstilling, bijvoorbeeld wanneer we Hess en zijn collega in een lang statisch shot ‘s nachts een conversatie zien voeren. Probleem: de collega bungelt in een boom, waarnaast een strop als enig uitgelicht voorwerp het beeld bepaalt. Het is zelden duidelijk waarom keuzes gemaakt zijn zoals ze gemaakt zijn, en het geheel laat maar moeilijk vat op zich krijgen. Geen wonder dat de producenten geen idee hadden wat ze hier mee aan moesten. En toch, zelfs als je niet direct kunt raken aan de bedoelingen achter de film, weet dit bijzondere staaltje poëtische (genre)cinema ook puur op stijl mee te slepen.


Onderwerpen: , , ,


Reageer op dit artikel