Grenzen vervagen in Funeral Parade of Roses (1969)
Maar de bijbehorende, boeiende collegereeks in EYE is helder

28 november 2015 · · Kritiek + Retrospectief

Funeral Parade of Roses

De afgelopen maanden waren er niet alleen veel Japanse films op het grote doek te zien in EYE in het kader van Mubii Japan – 90 jaar Japanse cinema. Als onderdeel van dat retrospectief werd er ook een leuke doch leerzame reeks colleges gegeven, telkens van een uur, waar aansluitend een toepasselijke film bij vertoond werd. Aanstaande maandag is de laatste keer, over de ontwikkelingen in de Japanse cinema de afgelopen decennia, gevolgd door Hirokazu Kore-eda‘s Maborosi (1995), zijn internationale doorbraak. De vorige keer was het Art Theatre Guild (ATG) van Japan het onderwerp, met aansluitend een vertoning van Funeral Parade of Roses (1969), die dinsdag 1 december nog een keer draait in EYE.

De colleges werden gegeven door prof. dr. Ivo Smits van de Universiteit van Leiden en dr. Dick Stegewerns van de Universiteit van Oslo, beiden experts in de Japanse cinema, geschiedenis en cultuur. Stegewerns was het afgelopen college aan de beurt, over het ATG. Hij legde helder uit hoe het ATG in 1961 werd opgericht om buitenlandse arthouse films te distribueren in Japan, aangezien er daar op dat moment nauwelijks tot geen infrastructuur meer was. Naast het vertonen van allerlei films uit vooral de rest van Azië en Europa, van Satyajit Ray tot Federico Fellini, begon het ATG vanaf 1967 ook films te produceren.

Het budget van ATG was zeer laag, maar het ATG gaf binnen het beperkte budget alle vrijheid aan de regisseur. Een vrijheid die niet meer te vinden was in het Japanse studiosysteem, dat in de tweede helft van de jaren zestig in een crisis belandde waar de studio’s op reageerden door alleen nog maar veilige commerciële producten te financieren. De eerste filmmakers die van die mogelijkheden van ATG gebruik maakten waren de auteurs van de Nūberu bāgu (de Japanse nouvelle vague) die nu niet meer hun gang konden gaan bij de studio’s, zoals Imamura, Oshima, Shinoda, Hani en Yoshida. In de jaren zeventig en tachtig biedt ATG ook opties aan nieuwe regisseurs zoals Terayama en Wakamatsu. In die tijd is ATG samen met de softporno de reddende engel van de Japanse filmindustrie. Mid jaren tachtig moest ATG de deuren sluiten.

Funeral Parade of Roses

Toshio Matsumoto‘s Funeral Parade of Roses was één van de eerste tien films die door het ATG werden geproduceerd, in het derde jaar van diens bestaan. Het is een film die de grote studio’s nooit zouden maken, helemaal niet eind jaren zestig. Niet alleen vanwege de experimentele montage en beelden, die toen bij hen uit zwang waren geraakt, maar vooral door de onbevooroordeelde blik die Matsumoto werpt op de underground scene van Tokyo in die tijd. In zijn losse bewerking van Sophocles’ Oedipus Rex is Matsumoto’s hoofdpersoon de transgender Eddie, die in een nachtclub voor homo’s en travestieten werkt.

Matsumoto gebruikte het klassieke toneelstuk als basis voor het verhaal, maar laat verder de grenzen tussen fictiefilm, experimentele film en documentaire vervagen door alles moeiteloos in elkaar over te laten vloeien. Net zoals in de scene waar alles gebeurt concepten van gender en seksualiteit volledig fluïde blijken te zijn. Zowel qua vorm als inhoudelijk wijst Matsumoto traditionele grenzen af. De acteurs geven recht in de camera interviews af over hoe het is om transgender, travestiet of homo te zijn in het toen tegenwoordige Tokyo, en vertellen wat ze vinden van de scène uit Funeral Parade of Roses, die we net als onderdeel van het verhaal hebben gezien. Feit en fictie zijn niet meer te onderscheiden, net zomin als het geslacht van Eddie/Pîtâ (Japanse verbastering van Peter, de artiestennaam van de acteur). Met recht baanbrekend genoemd.


Onderwerpen: , , , ,


Reageer op dit artikel