P.T.A en empathie.
2e kansen van Sydney tot Inherent Vice

Mensen die mij een beetje kennen weten dat ik Magnolia reken als mijn favoriete film aller tijden, de onbetwiste nummer één. Dit heeft niet te maken met de ambitieuze verhaalstructuur, het prachtige camerawerk, of het uitmuntende acteerwerk. Het helpt mee natuurlijk, maar het is niet hetgeen wat Magnolia een muurvaste toppositie heeft opgeleverd. Ik zag de film in de moeilijkste periode van mijn leven, en de empathie die uit elk frame sprak was wat ik nodig had om het tij te keren. De hele film én het prachtige laatste shot, spreekt één boodschap uit: er is hoop voor iedereen.

Hoe groot Paul Thomas Anderson ook mag zijn in zijn symboliek, of zijn narratieve spel, of editing; het is die empathie die uit zijn hele werk spreekt, waarin hij zich onderscheidt van de vaak ironische of cynische tijdgenoten. Alle films van P.T.A symboliseren een rotsvast geloof in de goedheid van de mens, of in ieder geval het geloof dat ieder mens een tweede kans of aandacht verdient.

Sydney (1996) gaat letterlijk over tweede kansen. Hoofdpersonage Sydney geeft de dolende John een tweede kans op het leven, door deze in te wijden in het casino-leven. Sydney doet dit omdat hij zichzelf een tweede kans wil geven. Hij was verantwoordelijk voor de dood van Johns vader, en probeert in het reine te komen met zijn daad. De de facto schurk van de film, Jimmy, gelooft niet dat Sydney een tweede kans verdient, en maakt de band tussen Jimmy en Sydney onherroepelijk kapot wanneer hij Sydney dwingt om in zijn oude patronen te hervallen.

Het niet of nauwelijks veroordelen van de gokkers-cultuur in Sydney, keert in wezen terug in de twee volgende films van Paul Thomas Anderson. Boogie Nights (1997) gaat over de porno-cultuur uit de jaren ’70 en toont deze zonder oordeel of opsmuk. Sterker nog, de film breekt met het conservatieve idee dat porno relaties verbreekt, en toont ons een surrogaatfamilie op de pornoset. Het is niet alleen maar zonneschijn, getuige subplots rondom drugsverslaving, vechtscheidingen, suïcide en kindermisbruik, maar dat de film weigert om de personages te reduceren tot hun meest slechte eigenschappen is lovenswaardig. De film laat de volle breedte zien van een cultuur die in conservatieve kringen vaak gereduceerd wordt tot enkel de negatieve aspecten.

Ook Magnolia (1999) neemt het op voor de verschoppelingen. Twee uur lang moeten we ons door een put van diepe ellende worstelen, met mensen die compleet vastzitten in het leven. Ze hebben slechte kanten, als drugsverslavingen, maken domme keuzes, als vreemdgaan, of vertegenwoordigen abjecte ideologieën, zoals misogyne pick-up artist Frank T.J. Mackey. Maar in plaats van een geheven vinger steekt Magnolia de hand uit, en laat ons zien waarom deze mensen doen wat ze doen, en waarom ze geluk verdienen. Na twee uur deze mensen op hun dieptepunt gezien te hebben zorgt een (goddelijke?) speling van het lot er voor dat deze mensen hun leven weer op kunnen pakken. Ook Frank T.J Mackey kan de spoken uit het verleden onder ogen zien, ook de man die zijn dochter heeft misbruikt krijgt een tweede kans na een mislukte zelfmoordpoging, ook gold digger Linda overleeft een zelfmoordpoging, en de drugsverslaafde en getroebleerde Claudia mag hoopvol glimlachen naar de camera, in het prachtige laatste shot.

Het zijn allen personages die verder kunnen nadat ze hun verleden en fouten onder ogen hebben gezien. Ook Barry Egan in Punch-Drunk Love (2002) komt niet los van daden uit zijn verleden. Zijn zeven zussen blijven hem constant herinneren aan zijn driftbuien uit zijn tienertijd, en hij wordt bedreigd door de uitbater van een sekslijn die hij in een poging zijn eenzaamheid te doorbreken heeft gebeld. Barry Egan heeft niets crimineels gedaan, of onbegrijpelijks, maar mensen blijven hem toch constant wijzen op zijn vermeende fouten. Hij is een personage dat letterlijk vastzit in de opinie die anderen van hem hebben. P.T.A geeft hem later in de film de kans letterlijk tijd en ruimte te overstijgen, wanneer hij ook zijn keurslijf afwerpt. Barry Egan symboliseert de filosofie van Anderson: we verdienen het niet verankerd te worden in ons verleden, door anderen of onszelf, maar enkel beoordeeld te worden op wie we zijn en wat we gaan doen.

Na Punch-Drunk Love werd het psychologische inzicht in de mens van PTA duisterder. Hij belichtte niet meer zozeer personages die in hun leven het roer omgooien op een positieve manier, maar personages die hun leven te grabbel gooien op een negatieve manier. There Will Be Blood (2007) is, ondanks dat het een verhaal is over de persoonlijke zondeval van Daniel Plainview, niet minder empathisch. Anderson belicht de manier waarop Plainview langzaam maar zeker zijn laatste restje menselijkheid verliest, een eigenschap waar hij aan het begin toch al niet veel van bleek te bezitten. Het groteske en hartverscheurende einde is niet alleen memorabel in zijn uitzinnigheid, maar ook omdat we bij een punt zijn aangekomen waarvan Plainview nooit meer terug zal kunnen keren. We hebben een mens zoveel slechte daden opéén zien stapelen dat hij zichzelf onherroepelijk kapot heeft gemaakt. De laatste woorden van de film onderstrepen het idee dat Plainview volledig met zichzelf en zijn daden is opgescheept, en hij het roer zelf niet meer om zal kunnen gooien. There Will Be Blood is daarmee de duistere tegenhanger van Punch-Drunk Love, of de laatste scène in Magnolia. Een punt van wanhoop, in plaats van hoop.

Anderson’s onderzoek naar de duistere zijden van de mens ging verder in The Master (2012), het filmische equivalent van een sleutelroman over de oprichting van scientology onder leiding van L. Ron Hubbard. L. Ron Hubbard zien we hier in de vorm van twee mannen en de platonische doch homo-erotische geladen vriendschap tussen deze Freddy Quell, een alcoholistische vrijbuiter, en Lancaster Dodd, de oprichter van een pseudowetenschappelijk religie. Het zijn personages die elkaar volledig kapot maken, onder het mom van liefde. Toch is het wederom hartverscheurend als deze mannen uit elkaar groeien. Ze zijn in elkaars omgeving explosief, onuitstaanbaar en hatelijk agressief, maar ze zien wel elkaar voor wie ze zijn: geestverwanten.

Anderson toont ons personages die niet makkelijk zijn om van te houden, in hun bonte verzameling nare eigenschappen, maar die ons wel ontroeren door de echtheid die ze elkaar kunnen bieden. De echtheid die uit alle films van PTA spreekt, want ondanks alle ruwe bolsters, haken en ogen, en stekelige kanten van zijn personages brengt hij een zeker begrip op voor hun daden. Hij keurt niet alles goed, maar weigert ook de baby met het badwater weg te gooien. Het geloof dat mensen mensen zijn, en nooit monsters, ondanks soms monsterlijke daden, spreekt uit al zijn films.

Zelfs Inherent Vice (2014), een film die er prat op gaat van alle bijfiguren groteske karikaturen te maken, en die bewust ongrijpbaar probeert te zijn in de duiding van de acties van de personages (en daar met vlag en wimpel in slaagt), kent een emotionele scène die boekdelen spreekt gezien PTA’s filosofie. Wanneer Lt. Det. Christian F. “Bigfoot” Bjornsen de deur intrapt van zijn rivaal, en protagonist, Larry “Doc” Sportello in de laatste scène, zien we een wederzijds begrip en geestverwantschap die wederom ontroert. Geen (platonisch) romantischer gebaar dan het opeten van iemands asbak. In PTA’s films blijf je zitten met de as en puin van het verleden, tot er iemand opstaat om deze voor jou weg te nemen. Het symbool zal niet zo bedoeld zijn, maar “Doc” Sportello lijkt wel de onderliggende gedachte van verbroedering door te hebben, gezien de tranen die over zijn wangen rollen. P.T.A is van het grote gebaar, maar net als in Magnolia‘s kikkerregen, is het grote gebaar soms het enige wat nodig is mensen wakker te schudden: er is hoop.


Onderwerpen: , , , , , , , ,


Reageer op dit artikel