Poëtische cinema als auditieve ervaring
The Thin Red Line (1998) en zijn voorgangers

21 september 2015 · · Analyse + Poëzienema

“This record should be played loud” was in het LP-tijdperk nog wel eens als advies op de hoes te lezen. Voor sommige films zou een dergelijke aanbeveling ook niet misstaan. Want misschien nog wel meer dan visueel, gaat er auditief soms veel verloren in de thuiskijksetting. Ik ondervond het laatst weer bij het zien én horen van The Thin Red Line. Op maximale geluidssterkte en in 5.1 valt niet te ontkomen aan de auditieve contrasten, die gelijk opgaan met de gemoedstoestand van de militairen in de frontlinie. The Thin Red Line is exemplarisch voor het grote belang van geluid in de poëtische cinema.

In retrospectief spelen de eerste scènes zich haast in fluistertonen af; zachte, sacrale muziek, die langzaam plaats maakt voor het geluid van water, wind, het geknisper van steentjes op een kiezelstrand, de klanken van een vreemde taal. Soldaat Witt vertoeft op een arcadisch eiland, gaat op in de natuur, vertelt er met rustige stem over terwijl paradijselijke beelden voorbijtrekken.

Van lange duur is het niet. Terug op een marineschip is het overheersende geluid dat van scheepsmotoren. Een frequent terugkerende dreun lijkt een voorbode op wat komen gaat. De dialogen zijn gejaagder, geblaf om nog boven de mechanische klanken uit te komen. Het scheepsruim is in alles tegengesteld aan het Arcadia uit de eerste minuten: donker, druk, vol van spanning. Af en toe manipuleert Terrence Malick het geluid, bijvoorbeeld als hij een militair laat kijken naar 2 vioolspelende collega’s, en muziek het omgevingsgeluid voor even wegdrukt.

Toch komt het allemaal tot explosie, als de mariniers zich opmaken voor de slag om Guadalcanal, een strategisch gelegen eiland in het bezit van de Japanners. In de lange slag laat Malick het ongenadig dreunen, en kruipt de intensiteit van de slag onherroepelijk onder de huid van de kijker. De momenten van stilte voelen als een verademing, gelijk de opluchting van de militairen dat ze een volgend rustmoment hebben gehaald. Het geluid is dat van het ruizen van lang gras; onschuldig, maar onlosmakelijk onderdeel van het strijdtoneel geworden. De associatie wordt gaandeweg dat van dreiging; de volgende kamikazeactie staat immers al weer voor de deur.

Dat een militaire slag ook op een heel andere wijze met geluid ondersteund kan worden laat Malick even verderop horen. Spanning wordt opgebouwd met het geluid van een tikkende klok. Zacht zet muziek in, die langzaam steeds meer zal aanzwellen naarmate de slag tot een kookpunt komt: op dat moment is zelfs het geluid van de strijd zelf, het geschreeuw, het geschiet, de explosies, haast weggedrukt. Tot plots de muziek wegvalt en het geluid van die tikkende klok weer zijn intrede doet. De slag is over, de gruwelen voorlopig voorbij, de militairen in een paar minuten jaren ouder geworden. Tijd voor bezinnende voice-overs.

Naast het geluid van natuur zijn de voice-overs natuurlijk hét kenmerk van de auditieve stijl van Malick. Die bepalen in al zijn werk voor een belangrijk deel de feel en het ritme van de film. Enige verwantschap zie ik hierin wel met Andrei Tarkovsky, die al even nadrukkelijk met geluid en stemmen bezig was als Terrence Malick. Wie staan niet de dichtregels in zangerig Russisch uit The Mirror (1975) voor de geest? Of het geluid van het railkarretje in Stalker (1979)?

The Sound of Silence

Een van mijn favoriete Tarkovsky-momenten wordt zelfs geheel gedragen door geluid. Sterker nog: de afwezigheid van geluid. Stilte blijkt van minimaal zo’n impact te kunnen zijn als welk geluid dan ook, zo begreep Tarkovsky uitstekend.

Het is een nieuwscollage, met zwart-wit-beelden van een bombardement en vluchtende mensen, ondersteund door dramatische, opzwepende muziek. De muziek valt weg, waarna het omgevingsgeluid van paniekerige mensen als een nieuwe laag doorbreekt. Ook die zwakt af tot bijna-stilte, waarna een scheepstoeter luid loeit, precies als mensen verschrikt opkijken (hoewel geluid en beeld los van elkaar lijken te staan). En dan: stilte. Etherische stilte mag ik wel zeggen, met abstract aandoende beelden van luchtballonnen waar mensen in hangen. Zacht inzettende strijkersklanken brengen de kijker langzaam weer terug op aarde.

Denkend aan vergelijkbare momenten, valt me op dat stilte een schaars goed is in films. Dan heb ik het over stilte waarbij het geluid ín de film merkbaar onderdrukt is. In die zin hebben vroege jaren 30 films onbedoeld nog wel eens iets poëtisch, als het geluid niet altijd hoorbaar is wanneer dat op basis van beelden wel verondersteld zou mogen worden. Het gevolg van de krakkemikkige techniek uit die dagen. Een vroeg voorbeeld uit die tijd waarbij het geluid wél met opzet weggelaten wordt is het kussengevecht in Jean Vigo’s Zéro de conduit (1933). Hier is de overgang zeer abrupt, van de joelende kinderen op de slaapzaal, naar de volstrekte stilte waarin de donsveren neerdwarrelen. Slow motion versterkt het idee van een poëtische ingreep, evenals de muziek die al vrij snel daarna opzwelt. Zo blijkt audio al sinds de intrede van de geluidsfilm als een cruciaal element in de poëtische cinema omarmd te zijn.


Onderwerpen: , , , , ,


Reageer op dit artikel