Taxi Teheran (2015)
Waar niets mag maar alles kan

14 juni 2015 · · Kritiek + Première

“Het land waar niks mag, maar alles kan”, de titel van een de afleveringen van Onze Man in Teheran (2015), de reportageserie die afgelopen week de Nipkowschijf won. De Iraanse paradox in een notendop: strenge wetten en een repressief regime, maar een dagelijks leven waar een lossere mores heerst. Wie de Iraanse cinema een beetje volgt, vindt die paradox vaak terug in films. En geen regisseur wiens werk zo getypeerd wordt door deze samenvatting van de Iraanse cultuur als Jafar Panahi. Want hoe is het mogelijk dat een regisseur die vanwege zijn kritische houding in 2010 tot een beroepsverbod werd veroordeeld, alweer drie films uitgebracht heeft?

In This Is Not a Film (2010) zagen we Panahi ten tijde van zijn huisarrest nog worstelen met de creatieve beperking van de vierkante meters van zijn appartement. In semi-documentaire stijl ging de film over het niet op kunnen nemen van de gewenste film, wat resulteerde in een gelaagd spel met de realiteit. Inmiddels is zijn bewegingsruimte iets groter en kan het gebeuren dat we Panahi als taxichauffeur tegenkomen in zijn nieuwste film Taxi Teheran. Met dashboardcamera of zijn iPhone, als de situatie daar om vraagt, filmt hij de gesprekken en gebeurtenissen in zijn taxi.

Wederom ontstaat een spel met de realiteit; natuurlijk herkennen de klanten Panahi, en maken ze toespelingen op het geënsceneerde karakter van de film. Maar minder dan bij This Is Not a Film gaat het om het ontwarren van wat fictie en wat feit is. Die dubbelzinnigheid lijkt eerder metaforisch voor de tweeledigheid van wat in Iran officieel niet mag versus wat in de praktijk wel kan.

De gesprekken in de taxi gaan bijna allemaal over de speelruimte van de Iraanse burger. Al bij het eerste ritje ontspint zich een verhitte discussie tussen een man en een lerares over hoe op te treden tegen diefstal. Steeds weer komen de gesprekken en situaties op het gebied van wetsovertreding. In de vele vormen die het aanneemt is duidelijk dat niemand zich er aan onttrekt, zodat wettelijkheid soms tot absurdistisch spook gedegradeerd blijkt. Wrang komisch is de hevig bloedende man die onderweg naar het ziekenhuis zijn testament dicteert voor Panahi’s iPhone. Alleen zo kan hij voorkomen dat bij eventueel overlijden zijn vrouw met lege handen achterblijft.

Herhaaldelijk komt de kwestie van de ‘vertoonbare’ film terug in Taxi Teheran. Via het (echte) nichtje van Panahi, dat als schoolopdracht een korte film moet maken. Ze vertelt uitstekend materiaal geschoten te hebben van een ruzie over een huwelijkskwestie. Helaas ging het om een onreglementair huwelijk, waardoor de film ‘onvertoonbaar’ is. Tijdens de rit met haar oom schiet ze beelden van een jongetje dat een bankbiljet opraapt dat een man net heeft laten vallen. Snel roept ze hem tot de orde, want alleen als hij het geld teruggeeft aan de rechtmatige eigenaar, kan ze het materiaal vertonen.

Het is duidelijk, dit mondige nichtje is een Jafar Panahi in spe; de enscenering van de werkelijkheid, de opportunistische omgang met (on)geschreven regels en, belangrijkst, voor de duvel niet bang. Haar introductie roept direct een van Panahi’s oude films in herinnering. In The Mirror (1997) loopt de situatie helemaal uit de hand als een meisje niet van school wordt gehaald en dan maar zelf op pad gaat. Ditmaal is Panahi de boosdoener, als hij zijn nichtje een uur te laat van school haalt en daarop een stevige oorwassing krijgt. Mooi dat Panahi teruggrijpt naar zijn vroegere werk (er zijn meer verwijzingen te spotten). Toen gaf hij een stem aan kinderen, als een hoegenaamd genegeerd deel van de bevolking. Meer dan ooit is een moedige, nieuwe generatie nodig, lijkt Panahi te willen zeggen met de prachtige rol van het meisje. Misschien nog wel meer dan de opvallend ontspannend ogende Panahi is zij het stralende middelpunt van de film. Als beloning mocht zij eerder dit jaar de Gouden Beer van Berlijn namens Panahi in ontvangst nemen.

★★★★☆


Onderwerpen: , , ,


Reageer op dit artikel