Tsui Hark (1): De jaren ’80
Helden van Hong Kong (12)

Tsui Hark

Tsui Hark is de bekendste regisseur en producent van de zogenaamde Hong Kong New Wave, waar ik al over schreef in mijn stuk over Ann Hui november vorig jaar. In het westen is hij vooral bekend van A Better Tomorrow (1986) (als producent), A Chinese Ghost Story (1987) en de Once Upon A Time in China reeks (1991-7). Tsui werd geboren in 1951 in Vietnam, en begon op zijn dertiende al met Super-8mm films maken nadat zijn familie naar Hong Kong verhuisde. Hij studeerde film aan twee universiteiten in Texas, werkte vervolgens in New York alvorens naar Hong Kong terug te keren. Daar werkte hij zich vanaf 1977 via de televisie in vogelvlucht op naar de filmindustrie en maakte in 1979 zijn debuutfilm, tevens ons startpunt in deze ontdekkingsreis door zijn uitgebreide carrière waarin duidelijk zal worden dat Tsui veel meer dan alleen actiefilms heeft gemaakt – hoewel dat ook een constante blijft in zijn carrière. Vandaag in deel één van deze reis: de jaren tachtig.

De New Wave

The Butterfly Murders
The Butterfly Murders (1979) is bijvoorbeeld wel een martial arts film, maar anders dan destijds gewoon was. Want ondanks de vechtscènes is het eigenlijk meer een horrorfilm en een moordmysterie met fantasie elementen. In een soort post-apocalyptische doch historische setting komen een aantal figuren, inclusief een martial arts clan en een geheim genootschap, bij elkaar in een verlaten kasteel waar mensen door vlinders vermoord worden (denk aan The Birds (1963)). Typisch voor Tsui is hoe hij hier en daar al gebruik maakt van extremen, zowel qua vorm als qua (maffe) inhoud, die zeker op ons westerlingen als “over de top” overkomt.

De meeste actie vindt plaats in een ondergronds complex onder het kasteel, en mede daardoor ziet de film er anders uit dan bijvoorbeeld de Shaw Brothers films uit deze tijd. Veel donkere beelden, met kaarsen verlicht, en door de ruimtes weinig long shots en long takes. De montage is sneller en de camera zit dichter op de actie. Desalniettemin behoudt Tsui ruimtelijk inzicht en overzicht, en worden de actiescènes nooit incoherent. The Butterfly Murders is geen briljant debuut, maar wel zeer vermakelijk en net even anders dan de meeste films in het genre uit die tijd.

Dangerous Encounter of the First Kind
Dat geldt ook voor We’re Going to Eat You (1980), een mix van martial arts, kannibalenhorror en zwarte komedie. Zijn meest gewaagde film was vervolgens Dangerous Encounter of the First Kind (1980), waarin nihilistische jongeren bommen laten afgaan. De politieke subtekst zorgde ervoor dat de Britse koloniale overheid de film hevig censureerde, en de film flopte nog harder dan Tsui’s eerste twee films. Alle lof van de critici betaalde hem geen droog brood, en Tsui besloot toegankelijkere, commerciëlere films te gaan maken. Met All the Wrong Clues (1981) heeft hij meteen een hit, en twee jaar later schrijft hij voor Golden Harvest geschiedenis met Zu Warriors from the Magic Mountain (1983), waarvoor hij special effects technici uit Hollywood importeerde.

De Chinese traditionele Blues

Shanghai Blues
In 1984 richt Tsui zijn eigen productiemaatschappij op, Film Workshop. De eerste film die hij daarmee maakt, regisseert hij ook zelf, en is het bewijs dat zijn commerciëlere insteek alles behalve kwaliteitsverlies oplevert. Shanghai Blues (1984) is zelfs zijn beste film tot dan toe, een stilistisch zeer geslaagde melodramatische en muzikale komedie. De grappen komen niet alleen van simpele slapstick met tuba’s en dergelijke, maar bijvoorbeeld ook van een ingenieus gekadreerde en gemonteerde scene waarin alle hoofdpersonen en een inbreker zich voor elkaar verbergen in een klein apartementen, een soort “visuele stoelendans” die ik niet meer heb gezien sinds de gebroeders Marx in de hotelscène in A Night at the Opera (1935):
Shanghai Blues
Niet alleen is dit een komisch hoogtepunt, maar het is ook thematisch relevant, gezien het romantische verhaal over drie personages die elkaar de hele film niet aanzien voor wie ze eigenlijk zijn, totdat het (bijna) te laat is. Naast een zeer leuke, mooi gemaakte film is Shanghai Blues ook het begin van een terugkerend element in Tsui Harks oeuvre als regisseur: het eren en in stand houden van Chinese culturele tradities. In Shanghai Blues speelt Chinese popmuziek (uit de jaren veertig) een belangrijke rol, in Peking Opera Blues (1986) richt Tsui zijn aandacht op de Chinese opera en de Once Upon A Time in China reeks bevat odes aan traditionele Chinese geneeskunde en de leeuwendans. A Chinese Feast (1995) is een viering van de Chinese keuken, de Detective Dee (2010 & 2013) films blazen de negentiende eeuwse detectiveverhalen van deze Chinese Sherlock Holmes nieuw leven in, terwijl Tsui inmiddels al twee keer de wuxia filmklassieker Dragon Gate Inn (1967) opnieuw maakte, in de vorm van New Dragon Gate Inn (1992) en Flying Swords of Dragon Gate (2011), een vervolg op het origineel.

Peking Opera Blues
Peking Opera Blues speelt zich niet voor niks af in een belangrijke periode van de geschiedenis van China, net als Shanghai Blues (rondom de Tweede Wereldoorlog) en Once Upon A Time in China (rondom de Bokseropstand). Peking Opera Blues begint in 1913, kort na de afschaffing van de monarchie en eerste democratische verkiezingen in China. Meer nog dan Shanghai Blues is dit echt een ode aan de populaire kunstvorm in de titel, niet alleen speelt het verhaal zich voornamelijk rond een operahuis af en passeren verschillende optredens de revue, maar ook zijn meerdere spectaculaire actiescènes integraal verbonden aan die optredens en de inherente acrobatiek.

Peking Opera Blues is een voor de jaren ’80 in Hong Kong typische knotsgekke mix van genres. En van genders: De opera acteurs spelen vrouwen spelen (en blijven ook naast het podium in hun rol), één van de drie vrouwelijke hoofdpersonen kleedt zich als een man en is de traditionele held(in) van het verhaal en een tweede doet net alsof ze een man is die zich voordoet als een vrouw. Niet dat Tsui daar enige politieke bedoelingen mee heeft, lekker subversief entertainment is het wel. Naast de inventieve actie en de maffe komedie van het type “die man heeft een gekke opplaksnor” bevat ook Peking Opera Blues weer zo’n geniale “visuele stoelendans”. Misschien wel Tsui’s meesterwerk?

Onafhankelijk producent Tsui?

A Better Tomorrow III
Tsui’s productiemaatschappij Film Workshop stelt hem niet alleen in staat zijn eigen films te maken, maar ook om die van anderen te produceren. Aan de ene kant geeft hij zo jonge of onsuccesvolle regisseurs een kans buiten de grote studios een film te maken, aan de andere kant zit hij als producent vaak bovenop de productie en geeft hij ze regelmatig weinig vrijheid. Zo geeft hij John Woo een kans om zijn carrière nieuw leven in te blazen met A Better Tomorrow, maar tijdens het maken van het vervolg krijgen ze ruzie en filmt Tsui een deel zelf om de film af te maken. (zie mijn twee artikelen over John Woo voor meer over deze films)

Daarna produceert Tsui nog wel Woo’s The Killer (1989), maar als de twee proberen samen te werken aan A Better Tomorrow III (1989), een prequel die zich in Vietnam tijdens de oorlog moet afspelen, breken ze definitief met elkaar. Woo werkt zijn script uit tot Bullet In The Head (1990), Tsui maakt de prequel af als regisseur, met Chow Yun-fat weer als de ster. Beide films zijn teleurstellend in vergelijking met de eerste in de reeks, maar wel erg verschillend. Sean Gilman legt hier heel mooi uit hoe precies. Opmerkelijkst is misschien nog wel Anita Mui, die Chow Yun-fat leert hoe hij cool moet zijn en die past in het rijtje Tsui heldinnen zoals Brigitte Lin in Peking Opera Blues en Zu Warriors from the Magic Mountain, en andere vrouwen waar ik volgende maand op terug zal komen. Want dan komt de rest van Tsui Harks carrière aan bod, van de jaren negentig tot nu.


Onderwerpen: , , , , ,


Reageer op dit artikel