Tsui Hark (2): Een Chinees feest (de jaren ’90)
Helden van Hong Kong (14)

Tsui Hark

Hoe meer ik van Tsui Hark zie, hoe meer ik nog van hem wil zien, en hoe meer ik hem zie als één van de grootste Hong Kongse filmmakers. Vorige maand beloofde ik nog Tsui’s carrière van na de jaren ’80 te bespreken deze keer, maar gezien de hoeveelheid interessante en bijzondere films waar hij bij betrokken was in alleen al de jaren negentig, moet ik me deze keer tot dat decennium beperken. En wat een decennium vol fantastische films is dit voor Tsui!

Swordsman

Wuxia, wuxia en nog eens wuxia

Hoewel ik de vorige keer schreef dat Tsui veel meer dan alleen maar actiefilms op zijn naam heeft staan, en ik aan zijn andersoortige werk ook hieronder weer aandacht aan besteed, begint dit genre toch wel steeds meer zijn filmografie te domineren. Naast het regisseren, schrijven en produceren van deel één, twee, drie en zes van de Once Upon a Time in China historische kungfu-filmreeks (plus productie van deel vijf), is Tsui in de jaren negentig ook voor heel wat wuxiafilms verantwoordelijk. Beginnende met The Swordsman (1990), een film die in eerste instantie werd geregisseerd door de legendarische King Hu. Maar die kon het productietempo van Tsui niet bijhouden waardoor Tsui het regisseren samen met maatjes Ching Siu-Tung (die voor hem ook al o.a. de A Chinese Ghost Story reeks regisseerde) en Raymond Lee overnam, en naar het schijnt heeft Ann Hui ook nog wat scènes geschoten.

Gezien de productieperikelen is The Swordsman een verrassend coherente film, hoewel de hand van Hu en Tsui in verschillende elementen wel zijn terug te zien. Het plot waarin overheidsfunctionarissen van de Ming dynastie verschillende individuen opjagen in een afgelegen regio van China is puur King Hu, de maffe stijl met creatieve camerastandpunten en de liedjes tussendoor zijn onmiskenbaar Tsui. De zwaardgevechten waarin de partijen meer energiestralen en vliegende slangen uitwisselen dan zwaardslagen, de voodoo en de sprongen van de ene locatie naar de compleet andere plek, het maakt eigenlijk niet uit van wie de benen zijn die je daarbij ziet, het plezier is geheel van de kijker.

Misschien boterde het niet zo tussen cast en crew, want in het vervolg The Swordsman II (1992), ook bekend als The Legend of the Swordsman, is de oorspronkelijke cast vervangen, met een hoofdrol voor de toen hippe Jet Li en Brigitte Lin als een nieuwe schurk, die in het derde deel de hoofdrol krijgt (The Swordsman III/The East Is Red (1993)). Aan de iets normalere visuele stijl is te zien dat Tsui voor deze twee niet zelf de regie op zich nam, maar ‘slechts’ produceerde terwijl Ching regisseerde. Maar dat wordt meer dan goed gemaakt met een nog krankzinniger verhaal, effecten en nog veel meer fantastische magische krachten. En passant worden in deel twee ook nog eens overtuigend overpeinzingen verwerkt over de wreedheid van de wereld, plus een liefdesvierkant, en mede daardoor is dit het beste deel van de trilogie.

Green Snake

The Blade

Green Snake (1993) is dan weer gelegenheid voor Tsui om visueel volledig los te gaan, zoals ik al liet zien en beschreef in mijn In Beeld artikel. Eén van zijn beste films, en ondanks de serieuze subtekst tegelijk vrolijk vermaak. Twee jaar later maakte hij qua toon en stijl weer een heel ander soort wuxia met The Blade (1995). Een veel serieuzere en bloedigere wuxia van Tsui dan voorheen, duister en nihilistisch zoals alleen enkele van zijn eerste films voordat hij doorbrak. Vol dood en verderf, wat past bij een remake van Chang Cheh’s The One-Armed Swordsman (1967), maar toch een verrassing is na de films die hierboven beschreven zijn.

Stilistisch is The Blade Tsui’s wildste, meest uitbundige film, met onder andere een ondersteboven draaiende camera, nog meer scheve camerastandpunten dan gewoonlijk en een steeds snellere montage, totdat het laatste grote gevecht een hypnotiserende wervelwind van beelden is. De martial arts vaardigheden van de acteurs zijn wel zichtbaar, maar toch is het een visuele chaos die doet duizelen. Het is alsof Tsui zijn stijl zoals hij in 15 jaar ontwikkelt tot het verst mogelijke doorvoert. Hoe nog verder? De film gaf hem in ieder geval genoeg internationale faam om twee jaar later de overstap naar Amerika te maken, zoals zijn voormalige vriend en collega John Woo voor hem.

The Chinese Feast

Een Chinees feest

Voor The Blade maakt Tsui in 1995 nóg twee geweldige films. Love in the Time of Twilight (1995), een hilarische, bizarre romantische horrorkomedie gecombineerd met een bovennatuurlijk Back to the Future (1985) plot, en The Chinese Feast (1995): een heerlijk maffe komedie over koks met de verhaalstructuur van een kungfu-film. Een meesterkok verwaarloost zijn vrouw omwille van kooktoernooien, waar hij de onbetwiste kampioen is. Zij verlaat hem, en dientengevolge raakt hij gedeprimeerd en verliest zijn smaakvermogen, waardoor hij niet meer kan koken. Totdat zijn oude restaurant in de problemen raakt, en als de enige oplossing een nieuw toernooi winnen van een “slechte” meesterkok is, moet hij er uiteraard weer bijgehaald worden.

Veel kolder en ongein met bizar grote vissen die niet vast te houden zijn, het vallen van balkons en het eindtoernooi, met het koken van berenpoten, olifantenslurfen en apenhersenen als absurd hoogtepunt. Niet alleen is het een geweldige komedie die tegelijk dramatisch overtuigend, ondanks soms abrupte tonale verschuivingen, het is ook een ode aan de Chinese kookkunst, want Tsui zoekt als het even kan een (moderne) connectie met Chinese tradities. Misschien komt zijn fascinatie daarmee wel juist van het feit dat hij een buitenstaander is, die zijn geluk in Hong Kong vond.

Double Team

Naar Amerika

Double Team (1997) is de eerste van twee films die Tsui in Amerika maakt (de andere is Knock-Off (1998)). In navolging van zijn voormalige partner John Woo gaat hij met Jean-Claude van Damme aan de slag, hoewel die op dat moment al lang niet meer op de top van zijn roem is. Double Team is meer dan zomaar een Van Damme B-film. Tsui zet met de Belg in de hoofdrol de krankzinnigheid van The Blade voort, zij het wat ingedamd voor de Amerikaanse markt. Met Chinese fantasy zou Tsui niet wegkomen in Amerika, maar de wetten van de logica of natuurkunde tarten is uiteraard geen probleem. Dennis Rodman erbij, met in elk scène een andere kleur haar? Ook geen probleem. En natúúrlijk is er een climax in het Colosseum, met mijnen in de arena en een tijger.

Toch is het duidelijk dat Tsui zelf de scripts voor de films met Van Damme niet schreef, en voor zijn doen zijn de films ondermaats. En alle fantastische vondsten, dito camerawerk en actiechoreografie van Sammo Hung mogen niet baten, na twee films zonder groot succes houdt het Amerikaanse avontuur op voor Tsui. Teleurgesteld keert hij aan het einde van de twintigste eeuw terug naar Hong Kong. Toch kan hij dan terugkijken op een mooi decennium waarin hij bijzonder productief was. Voor elke film hierboven besproken zijn er meerdere ongenoemde titels. Hij regisseerde zelf alleen al zestien films, en produceerde en schreef nog een aantal andere.

Die productiviteit neemt af na de eeuwwisseling. Maar daarover de volgende keer meer. Met zijn eerste film van de eenentwintigste eeuw pakken wij dan de draad weer op, in het derde en laatste deel in deze reeks over Tsui Hark (hoewel eerst nog een ‘bonusaflevering’ over de Once Upon A Time in China reeks volgt).


Onderwerpen: , , , , , , ,


Reageer op dit artikel