Dwars & waarachtig
Het filmische slagveld van Samuel Fuller

Sam Fuller

“Film is a battleground. Love, hate, violence, action, death…In a word, emotion”

Bovenstaand citaat vormt het artistiek credo van regisseur Samuel Fuller (1912-1997). Vervang het woord ‘film’ door ‘life’, en het vormt tevens het persoonlijk motto van de man, die een bewogen leven leidde. Fuller streefde naar eigen zeggen in zijn films naar oprechte emotionele ervaringen, een artistieke doelstelling die hij deelde met regisseurs als John Cassavetes (1929-1989), Louis Malle (1932-1995), François Truffaut (1932-1984) en Werner Herzog.

De manier waarop Fuller deze gevoelsmatige waarachtigheid trachtte te bereiken was tekenend voor het eigenzinnige karakter van de man: confronterend, tegendraads, op zoek naar thematische en stilistische grenzen en nooit terugdeinzend voor het ingaan tegen sociale of morele conventies. Dit leverde niet altijd grootse, maar wel beklijvende films op, die de emotionele kracht van cinema blijvend bevestigen.

Samuel Michael Fuller werd op 12 augustus 1912 in Worcester, Massachusetts (VS) geboren als zoon van joodse immigranten. Op 12-jarige leeftijd werd de jonge Samuel Fuller aangenomen als loopjongen voor de New York Journal, het startpunt van een journalistieke carrière die een blijvende indruk op hem zou achterlaten. Vijf jaar later had de leergierige en ambitieuze ‘Sammy’ zich inmiddels opgewerkt tot misdaadverslaggever bij de New York Evening Graphic, een sensatiebeluste krant die uitblonk in ‘creatieve overdrijving’.

Als journalist schreef de jonge Fuller verhalen over de zelfkant en het harde straatleven, en over de sociale en politieke situatie in Amerika aan de vooravond van de Depressiejaren. Zijn journalistieke talenten aanscherpend, deed hij daarnaast tal van indrukken op die later hun weg zouden vinden in zijn carrière als regisseur.

I Shot Jesse James (1949)

Midden jaren dertig van de vorige eeuw begon Fuller tevens aan een loopbaan als scenarioschrijver. Producent Robert Lippert vroeg Fuller drie scenario’s te schrijven, een aanbod dat Fuller aannam op voorwaarde dat hij de scenario’s tevens mocht verfilmen, ontevreden als hij was over de wijze waarop sommige regisseurs met zijn materiaal omgingen. De revisionistische western I Shot Jesse James (1949) markeerde het beginpunt van zijn carrière als regisseur.

Daarvoor had Fuller, volgend op de Japanse aanval op Pearl Harbor in december 1941, als 22-jarige jongen dienst genomen in het Amerikaanse leger. Het was hier dat Fuller begon aan zijn militaire loopbaan die eveneens van grote invloed zou blijken, zowel op persoonlijk als artistiek niveau. Als schutter in het 16e Infanterie Regiment, 1e Infanterie Divisie, nam Fuller deel aan tal van militaire campagnes, o.a. in Afrika, Sicilië, Normandië, België, Tsjecho-Slowakije en de latere Korea-oorlog (1950-1953). In 1945 filmde Fuller met zijn 16mm camera de bevrijding van het concentratiekamp Falkenau in Tsjecho-Slowakije. Voor zijn militaire verdiensten ontving Fuller meerdere onderscheidingen, en werd hij tevens bevorderd tot de rang van korporaal.

The Big Red One (1980) - group still

Fuller’s oorlogservaringen zouden niet alleen zijn karakter vormen, ze waren tevens de inspiratie voor tal van zijn films. Zo maakte hij met The Steel Helmet (1951) en Fixed Bayonets! (1951) de eerste Amerikaanse films over de oorlog in Korea, en richtte Verboten! (1959) zich op de gecompliceerde sociale, politieke en militaire situatie in het naoorlogse, door de geallieerden bezette Duitsland. Met name in zijn latere film The Big Red One (1980) verwerkte Fuller zijn ervaringen als WOII-militair. Ontleend aan de bijnaam voor het insigne van de 1e Infanterie Divisie (een felrode 1) toont de film het effect op mensen van de voortdurend nabije dood tijdens een oorlog, en de complexe emotionele en morele situaties die daar het gevolg van zijn.

Park Row

Daarvoor bracht Fuller in 1952 met Park Row een filmische ode aan de journalistiek, die hem zo na aan het hart lag. Gesitueerd in het New York van 1886 brengt de film alle aspecten van het maken van een krant over het voetlicht: nieuwsgaring, de afwegingen die horen bij het voortdurend onder tijdsdruk moeten publiceren, en de noodzaak om de concurrentie in oplagen voor te blijven staan in Park Row centraal. Het is een jachtige wereld waarin snelle beslissingen en hard werken de boventoon voeren, en het is duidelijk dat Fuller hier in zijn element was. Ondanks dat Park Row een labour of love was voor Fuller, waar hij een groot deel van zijn eigen vermogen in investeerde, bleek de film een commerciële flop.

Pickup on South Street (1953)

In 1953 trad Fuller toe tot de regionen van A-film regisseurs met Pickup on South Street. Het ruimere budget van de film, een combinatie van spionagethriller en film-noir, met Fuller’s karakteristieke onbevooroordeelde kijk op personages aan de zelfkant, stelde de regisseur in staat sterren als Richard Widmark en Thelma Ritter te contracteren, evenals de gevierde cameraman Joseph MacDonald.

De plot van de film, waarin een kruimeldief verantwoordelijk is voor de diefstal van een belangrijke microfilm, en zo betrokken raakt bij een gevaarlijk spionagecomplot, mag als bijzaak worden gezien. Waar het Fuller werkelijk om te doen is, is het onderstrepen van het belang dat mensen elkaar accepteren om wie ze zijn, en niet veroordelen om wat ze zijn. Mensen, ook diegenen die moreel ambigue handelen, zijn nog steeds mensen. Zij doen nu eenmaal wat nodig is om te overleven, en dit simpele feit vrijwaart hen van gemakzuchtige sociale veroordelingen.

Dit komt het meest tot uiting in het personage van Moe Williams (Thelma Ritter), een politie-informant op leeftijd. Zij beschouwt Skip McCoy (Richard Widmark), de dief die verantwoordelijk is voor de diefstal van de microfilm, als een aangenomen zoon. Dit belet haar echter niet de politie op zijn spoor te zetten, daar dit nu eenmaal haar professie is. Skip op zijn beurt accepteert het handelen van Moe, dat gemakkelijk als verraad zou kunnen worden gezien, met een laconisch commentaar: “Moe’s all right. She’s gotta eat, too.”

Wanneer echter een spion, op zoek naar de microfilm, Moe onder druk zet om te vertellen waar Skip zich bevindt, kost haar stilzwijgen haar het leven. Dit vasthouden aan een ongeschreven erecode betekent zelfs dat Moe niet op een voornaam kerkhof begraven zal worden, maar op de gemeentelijke armenbegraafplaats in een anoniem graf zal verdwijnen, een absoluut schrikbeeld van de bejaarde vrouw. Uit respect voor de vrouw die ze was, redt Skip haar uiteindelijk van dit lot. Want, zoals Sam Fuller filmcriticus Richard Schickel in een in 1990 gehouden interview met betrekking tot Pickup on South Street toevertrouwt: “People are people, [that] is what the whole theme [of the movie] is.

House of Bamboo (1955)

De eerder genoemde cinematograaf Joseph MacDonald was ook betrokken bij Fuller’s House of Bamboo (1955), een misdaadthriller gesitueerd in het naoorlogse Japan. Het verhaal over een voormalige legerofficier die in een bende van criminele ex-GI’s infiltreert die zorgvuldig geplande overvallen uitvoeren in en rond Tokio is prachtig in beeld gebracht, en stelde Fuller in staat thema’s als professionalisme en interraciale relaties, zowel op persoonlijk als beroepsmatig niveau, aan te snijden.

The Crimson Kimono (1959)

Dit laatste gegeven speelde ook een belangrijke rol in The Crimson Kimono (1959), waarin een Amerikaanse en Japanse rechercheur samen jacht maken op een moordenaar in de Japanse wijk van Los Angeles. Wanneer beiden vallen voor de charmes van de hoofdgetuige, een jonge Amerikaanse vrouw, en deze de liefde van de Japanse rechercheur verkiest boven die van zijn Amerikaanse collega, komt hun samenwerking danig onder druk te staan. De VS in de jaren vijftig van de vorige eeuw, waarin niet-blanken nog steeds als inferieur werden gezien, hadden nog een lange weg te gaan voordat alle Amerikanen ook werkelijk allemaal gelijke kansen kregen.

Deel twee van dit artikel over Samuel Fuller verschijnt op 22 februari aanstaande.


Onderwerpen: , , , , , , , , , ,


Reageer op dit artikel