Eindes waar muziek in zit
Muzikale slotakkoorden bij Zhangke Jia en Federico Fellini

24 mei 2016 · · The End

Het happy end levert gewoonlijk vooral associaties met wansmaak en Aziatische massages op; voor de serieuze film onbetreedbaar gebied. Niet ver daar vandaan, maar veel geaccepteerder, is het troostrijke einde. De hoopvolle noot na pessimistisch stemmende ontwikkelingen. Als dat ook nog eens gepaard gaat met muziek die personages in beweging zet, moet ik me meestal gewonnen geven.


Een van de beste staaltjes in deze categorie was dit jaar nog te zien, bij Mountains May Depart (2015). De film eindigt ongeveer zoals ze begon, met een dansje op Go West van Petshop Boys. Met 25 tussenliggende jaren is de lading natuurlijk totaal anders. In drie periodes zien we veel geworstel met vrijheid, toch wel het centrale thema van de film.

Dat begrip komt er niet vanaf als een idealistisch droombeeld, er wordt juist verduidelijkt dat in vrijheid (samen)leven een ware opgaaf is. Vooral in de derde akte, rond een onconventionele liefde, komt dit enorm onder druk te staan. De symboliek van de sleutel die Tao aan haar zoontje Dollar geeft, is een eerste stap naar die vrijheid: haar huis staat altijd voor hem open, maar het is aan hem de keuze te maken terug te komen. Dat mondt uit in de slotscène, als Tao verwachtingsvol thuis zijn komst afwacht. In de allerlaatste scène zien we haar in een winters landschap de hond uitlaten. Terwijl de hond even los mag, zien we haar behoedzaam dansbewegingen maken, tot ze steeds vrijer danst op de muziek van Go West. Een absurde wending, zo in de sneeuw, maar juist daardoor accentueert het de losgegooide remmen, de gevonden vrijheid.

Denkend aan muzikaal gekruide eindes kom je al snel uit bij Federico Fellini. Als een film niet eindigt tegen een achtergrond van ruisende golven op een strand (La Dolce Vita (1960), La Strada (1954)), dan was dat regelmatig wel met een muzikale processie. In Le notti di Cabiria (1957) hebben we al heel wat malheur gezien, als Cabiria tegen het einde van de film voor de zoveelste keer enorm bedrogen wordt. Tranen met tuiten natuurlijk. Als Cabiria zich weer enigszins herpakt heeft komt ze een groep jongeren tegen, die vrolijk musicerend om haar heen gaan lopen. Zonder enige woorden breekt in de laatste beelden van de film een glimlach op haar bedroefde gezicht door. Niet alleen de veerkracht van het personage wordt er eenvoudig maar doeltreffende mee verbeeld, ook de ongeschreven beloftes die de toekomst in kunnen houden sijpelt er in door.

Vergelijkbaar maar iets complexer is het einde in Otto e mezzo (1963). De catharsis heeft net plaats gevonden, als Guido tot het inzicht komt dat het leven een feest is dat gevierd moet worden. Bovenal lijkt hij zijn vermogen tot zelfexpressie hervonden te hebben. De creatieve impasse waar hij de hele film mee kampte is daarmee verdwenen. In de slotscène zien we hem dan eindelijk artistiek aan het werk, als hij in droomachtige sferen een uitgebreid muzikaal slotakkoord dirigeert. Terwijl de muziek crescendo gaat, ontwikkelt zich een grote rondedans met alle kernpersonages uit de film. Na de climax bouwt de scène af naar enkele muzikanten die bijna letterlijk het licht uitdoen.

De drie beschreven scènes balanceren allen ergens tussen leed en hoop, waarbij de vrolijkheid van de muziek naar dat laatste doet doorslaan. Hoop is hierin een mildere variant van het tamelijk onwrikbare happy end, omdat het een belofte inhoudt. Een belofte die niet per definitie ingelost hoeft te worden, maar wel perspectief biedt. En daarmee sturing geeft aan in een impasse verkerende personages. Muziek bepaalt letterlijk de toon van de scène; het is jammer dat er, behoudens musicals of als non-diëgetische ondersteuning, in maar zo weinig films die mogelijkheid omarmt wordt.


Onderwerpen: , , , ,


Reageer op dit artikel