Eindscènes: Mephisto (1981)
Duivelskunstenaar gevangen in de schijnwerpers

16 mei 2016 · · Analyse + The End

Mephisto (1981) - Klaus Maria Brandauer

De Hongaarse regisseur István Szábo (1938) regisseerde in de jaren 80 van de vorige eeuw een drietal producties die zijn reputatie als filmkunstenaar blijvend zouden vestigen. Bekend geworden als de ‘Brandauer-trilogie’, naar de acteur Klaus Maria Brandauer, die in alle drie de films de hoofdrol speelt, zijn Mephisto (1981), Oberst Redl (1985) en Hanussen (1988) indrukwekkende meditaties op het verraderlijke karakter van (totalitaire) macht.

Evenals collega’s Krzysztof Kieslowski (1941-1996) en Michael Haneke (1942) maakt István Szábo gelaagde, complexe films, die spreken op zowel artistiek, menselijk als politiek-historisch niveau. Szábo’s Mephisto, naar de gelijknamige roman uit 1936 van auteur Klaus Mann (1906-1949), richt zich op de acteur Hendrik Höfgen, die in het Duitsland van de jaren 30 van de vorige eeuw zijn ster in nazi-Duitsland ziet rijzen. Het politieke klimaat wordt in toenemende mate onvrij en cultuuruitingen worden steeds meer onder de knoet van de nationaalsocialisten gebracht. Toch besluit Höfgen, in tegenstelling tot veel van zijn collega’s, in Duitsland te blijven werken.

Oproepen tot politieke stellingname tegen de nazi’s van zijn naar het buitenland uitgeweken vakbroeders wuift Höfgen weg. Theater en politiek gaan niet samen beweert hij, ook al ijverde hij daarvoor nog voor een communistisch theater, gericht op de proletarische klassenstrijd. De zelfgenoegzame en opportunistische Höfgen blijkt politiek en moreel even kameleontisch als in zijn beroep als acteur. Welk gezicht hij laat zien, wordt bepaald door de omstandigheden.

Mephisto (1981)

Als Mephistopheles, de duivel uit Goethe’s toneelstuk Faust (1806) oogst Höfgen veel bijval bij de nationaalsocialistische machthebbers vanwege zijn krachtige vertolking van deze listige figuur. Hierop volgend weet Höfgen op handige wijze zijn groeiende faam te gebruiken om zich van rivalen binnen de toneelwereld te ontdoen, en om zijn relatie met de zwarte danseres Juliette Martens (Karin Boyd) lang buiten de strenge rassenpolitiek van de nazi’s te houden. Höfgen wordt zelfs benoemd tot intendant van het Duitse staatstheater, een zeer hoge functie.

Maar uiteindelijk blijkt Höfgen slechts een machteloze marionet, gedoemd om naar de pijpen te dansen van de machtsbeluste bruten die hij dacht te kunnen bespelen. Uiteindelijk is het de rol van Dr. Faustus die Höfgen het beste past, de geleerde alchemist die zijn ziel aan de duivel verkoopt in ruil voor kennis en eeuwige jeugd. Net zoals deze tragische figuur komt ook Höfgen bedrogen uit. De naar Joseph Goebbels gemodelleerde nazi-maarschalk (Rolf Hoppe), Höfgen’s ogenschijnlijke mecenas, blijkt uiteindelijk zijn Mephisto: verraderlijk, en niets minder verlangend dan Höfgen’s totale onderwerping.

Mephisto‘s eindscène, magistraal in beeld gebracht door Szàbo’s vaste cameraman Lajos Koltai, brengt dit indringend in beeld. Hierin bezoekt de maarschalk, samen met zijn entourage en Hendrik Höfgen, de locatie van het nieuwe Duitse volkstheater. Dit enorme stadion, een betonnen uiting van megalomanie en wansmaak, willen de machthebbers als toekomstig podium aanwenden. Hier zal de nieuw hervonden nationalistische trots in theater worden omgezet.

Mephisto (1981) - eindscène

Höfgen wordt gesommeerd in het midden van de ruimte te gaan staan. Achtervolgd door lichtbundels rent hij koortsachtig heen en weer, als een nietig klein insect. Zo wordt duidelijk dat Höfgen een gevangene is, het slachtoffer van zijn eigen grenzeloze ambitie, opportunisme en lafheid. In de camera kijkend prevelt hij, tussen wanhoop en geveinsde onschuld: ‘Was wollen die von mir? Ich bin doch nur Schauspieler…’ De man met de vele gezichten blijkt zelf te laat het ware gezicht van de nationaalsocialisten te herkennen. Dat hij voortaan gevangen zal zijn in de schijnwerpers waar hij eerst zo veel roem vergaarde, is rake ironie.

Mephisto (1981) - eindscène2

Klaus Mann, auteur van de roman Mephisto en zoon van de beroemde Duitse schrijver Thomas Mann (1875-1955), baseerde de figuur van Hendrik Höfgen op zijn zwager, de Duitse acteur en regisseur Gustaf Gründgens (1899-1963). Deze bleef, evenals de Duitse regisseur Leni Riefenstahl (1902-2003), tijdens het nazi-regime in Duitsland werken. Gründgens verwierf faam met zijn rollen als Schränker, een autoritaire onderwereldfiguur in Fritz Lang´s meesterwerk M (1931), en na WO II als Mephistopheles in een mede door hemzelf geregisseerde filmversie van Faust (1960).

Eerder in de film hebben we Höfgen als Mephistoles tegen Dr. Faustus horen zeggen:

Du bist am Ende – was du bist
Setz dir Perücken auf von Millionen Locken,
Setz deinen Fuß auf ellenhohe Socken,
Du bleibst doch immer, was du bist.

Naast de betekenis in Goethe’s tragedie heeft dit citaat tevens betrekking op Höfgen’s vruchteloze pogingen om voortdurend iemand anders te zijn. Hij is zich namelijk zeer bewust van het klassenverschil tussen zijn eigen eenvoudige komaf, en de elitaire kringen waarnaar hij aspireert. Daarnaast geeft het ook uitdrukking aan Höfgen’s gekonkel met, en rationaliseren van zijn relatie met de onderdrukkers. Het onuitgesproken antwoord op Mephisto’s tekst lijkt dan ook ‘verräter‘ te zijn. Maar Hendrik Höfgen verraadt uiteindelijk vooral zichzelf. Waarna de roem een illusie blijkt die hij met zijn professionele en persoonlijke vrijheid betaalt. En dat is, acteur of niet, het meest eenzame lot dat een mens ten deel kan vallen.


Onderwerpen: , , , , ,


Reageer op dit artikel